Home

Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:78, BK-23/511

Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:78, BK-23/511

cassatie ingesteld (rolnr HR: 25/00626)

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16 januari 2025
Datum publicatie
17 februari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:78
Zaaknummer
BK-23/511
Relevante informatie
Art. 110 VWEU, Art. 267 VWEU, Art. 6 EVRM

Inhoudsindicatie

Wet bpm. VWEU. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Bevoegdheid tot naheffen. Heffingsmodaliteiten. Uitstoot. Schade. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Vergoeding immateriële schade. Hoogte proceskosten. Vergoeding wettelijke rente.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-23/511

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 april 2023, nummer SGR 22/6073.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep in gesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden in Den Haag op 5 december 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.447 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Volkswagen T-Roc 1.5 TSI Sport (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 31 december 2019.

2.2.

Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 21.281, een waardevermindering wegens schade van € 3.450 en een correctie van € 1.750 voor een niet-sluitende kilometeradministratie.

2.3.

De aangifte is geselecteerd voor een nacontrole.

2.4.

Bij brief van 8 juni 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur voert daartoe aan dat op de foto’s in het taxatierapport geen schade dan wel slechts gebruiksschade is te zien en dat daarom ten onrechte gebruik is gemaakt van een taxatierapport voor het bepalen van de afschrijving en de handelsinkoopwaarde. De Inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 22.455 conform de koerslijst die is gebruikt in het taxatierapport. Belanghebbende is in de brief in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken op het voornemen tot naheffing te reageren. Van die gelegenheid heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. Bij brief van 5 juli 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de naheffingsaanslag zal worden opgelegd. Met dagtekening 30 juli 2021 is de naheffingsaanslag ten bedrage van € 971 aan belanghebbende opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“6. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiseres. [1] Eiseres stelt dat uit de wet niet volgt dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen taxatie en aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld. Van die situatie is in dit geval echter geen sprake. Verweerder heeft immers vastgesteld dat reeds uit de foto’s bij het taxatierapport blijkt dat geen sprake is van schade maar slechts van normale gebruikssporen. Eiseres heeft dat niet weersproken. Dat betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de bepaling van de afschrijving slechts gebruik kan worden gemaakt van de forfaitaire tabel dan wel van een koerslijst. Eiseres heeft niet weersproken dat in dit geval toepassing van de koerslijst de voor eiseres meest voordelige methode is. Verweerder heeft verder onweersproken gesteld dat reeds rekening is gehouden met leeftijdskorting en dat ook het meest gunstige tarief is toegepast. Gesteld noch gebleken is dat de leeftijdskorting onjuist is berekend.

7. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat op basis van de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen er moet worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 110 gr/km. De CO2-uitstoot die voor een auto is vastgesteld, is echter een gegeven kenmerk van een auto en kan dan ook niet meer als variabele worden aangevoerd om eerder in Nederland geregistreerde voertuigen met een lagere CO2-uitstoot als soortgelijk te beschouwen. [2] Eiseres is in de aangifte uitgegaan van een NEDC CO2-uitstoot van de auto van 124 gr/km en niet van de hogere WLTP uitstoot van 153 gr/km. Verweerder is bij de naheffingsaanslag ook uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 124 gr/km. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat die uitstoot onjuist is vastgesteld.

8. Bpm moet op aangifte worden voldaan. Indien een dergelijke voldoeningsbelasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Dat geldt voor alle gevallen van registratie van voertuigen ongeacht de herkomst daarvan. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat naheffing nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden in strijd is met artikel 110 VWEU.

9. Eiseres heeft gesteld dat de naheffingsaanslag niet aan haar opgelegd had mogen worden omdat zij niet degene is op wier naam het kenteken wordt gesteld. Deze stelling vindt geen steun in de feiten nu eiseres in de aangifte heeft aangekruist dat zij het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd. Overigens heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 11 april 2003 [3] reeds geoordeeld dat een naheffingsaanslag Bpm aan de importeur mag worden opgelegd. Verweerder heeft de naheffingsaanslag dus aan eiseres kunnen en mogen opleggen. De uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017 [4] waarop eiseres zich beroept, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak ziet immers op de zich hier niet voordoende situatie dat een naheffingsaanslag betrekking heeft op een maandaangifte voor meerdere auto’s en geen verband meer kan worden gelegd tussen de op die aangifte betaalde bpm en de individuele voertuigen waarop die aangifte betrekking heeft.

10. Van schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel en/of artikel 47 van het Handvest is geen sprake. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiseres bij brief van 8 juni 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen, daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.

11. Wat eiseres heeft aangevoerd over Domeinen Roerende Zaken (DRZ) faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat de auto immers niet is geschouwd door DRZ. Nu de naheffingsaanslag is opgelegd op basis van een koerslijst behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de zogenoemde 72%-norm evenmin behandeling. Aangezien verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond heeft verklaard, heeft verweerder terecht geen kostenvergoeding voor bezwaar toegekend. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan al hetgeen eiseres daaromtrent heeft aangevoerd.

12. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt. [5] Eiseres heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Ook anderszins is dit niet gebleken.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

14. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[1] ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318

[2] ECLI:NL:HR:2020:561

[3] ECLI:NL:HR:2003:AE3220.

[4] ECLI:NL:GHARL:2017:131

[5] Vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing