Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2867, 23/00807
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2867, 23/00807
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 11 september 2024
- Datum publicatie
- 21 januari 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:1695, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/00807
- Relevante informatie
- Art. 3.8 Wet IB 2001, Art. 8 Wet Vpb 1969, Art. 7:4 Awb, Art. 8:42 Awb, Art. 27e AWR, Art. 6 EVRM
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting 2017. Het hof is van oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het risico van een onjuiste adressering van de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte ligt in dit geval bij belanghebbende, omdat belanghebbende geen nieuw adres heeft doorgegeven nadat het Luxemburgse adres was komen te vervallen. Het hof oordeelt dat de schatting van de inspecteur redelijk is, ondanks dat de inspecteur de geschatte huuropbrengsten heeft gebaseerd op de eerst vastgestelde WOZ-waarde. De geschatte huur is nog altijd minder dan 10% van de waarde van de onroerende zaak. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/807
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] S.A. ,
statutair gevestigd in Luxemburg ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2023, nummer BRE 21/5609, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een verzuimboete opgelegd.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft op 27 maart 2020 uitspraak op het bezwaar gedaan en het bezwaar voor zover het de aanslag en de belastingrentebeschikking betreft wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar betreffende de boete afgewezen.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4555, het daartegen ingestelde beroep met betrekking tot de aanslag vennootschapsbelasting en de bijbehorende beschikking belastingrente gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd en de zaak in zoverre terugverwezen naar de inspecteur voor inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boete ongegrond verklaard en de boete ambtshalve verminderd.
De inspecteur heeft op 3 december 2021 opnieuw uitspraken gedaan op het bezwaar tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking en is aan het bezwaar niet tegemoetgekomen.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard bij de in de aanhef genoemde uitspraak.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2021 (zie 1.3) hoger beroep ingesteld. Het hof heeft daarop uitspraak gedaan (Hof ’s-Hertogenbosch, 29 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1034 (hierna: de voorgaande hofuitspraak)), waartegen belanghebbende beroep in cassatie heeft ingesteld.
Belanghebbende heeft tegen de in de aanhef genoemde en in 1.5 bedoelde uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Aan dat hoger beroep is onderhavig zaaknummer toegekend. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 22/1776.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting, met instemming van de andere partij, een kopie overgelegd van pagina 6 van de voorgaande hofuitspraak, een brief van de rechtbank met betrekking tot een digitale zitting, een brief van de inspecteur met als bijlage een BVR-uittreksel en een schermprint van het BVR-register.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende is opgericht op [datum 1] 1997. Een uittreksel uit het handelsregister van het Luxemburgse ‘Registre de Commerce et des Sociétés’ vermeldt dat belanghebbende per [datum 2] 2018 drie bestuurders heeft, te weten: [bestuurder 1] , [gemachtigde] en [bestuurder 2] , die ieder een onbegrensd mandaat hebben. [UBO] (hierna: [UBO] ) is geregistreerd als de ultimate beneficial owner (hierna: UBO) van belanghebbende in het Luxemburgse register van de uiteindelijk gerechtigde.
Belanghebbende is sinds 2003 eigenaar van in Nederland gelegen onroerende zaak aan de [ adres 2] te [plaats 2] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak beslaat volgens de leveringsakte uit 2003 een oppervlakte van 16.427 m2 en volgens een ingebrachte recentere uitdraai uit het kadaster een oppervlakte van 16.474 m2. De onroerende zaak bestaat (onder meer) uit meerdere bedrijfsgebouwen.
In de akte van levering van de onroerende zaak aan belanghebbende van 7 november 2003 is – voor zover hier van belang – vermeld:
“Heden, zeven november tweeduizend drie, verschenen voor mij, (…) notaris (…):
I. Mevrouw [bestuurder 3] , vennootschapsbestuurder, wonende te [postcode 1] [plaats 2] , [adres 3] , geboren te [plaats 2] op negen juli negentienhonderd zesenveertig, niet-hertrouwd weduwe van de Heer [naam 1] en tevens geen geregistreerd partnerschap
hebbend, (…)
a. voor zich in privé; en
b. in haar hoedanigheid van enig directrice der te [plaats 2] (adres: [adres 3] , [postcode 1]
[plaats 2] ) gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
“ [bedrijf 1] B.V." en (…)
c. als schriftelijk gevolmachtigde van:
1. de Heer [naam 4] , (…)
2. Mevrouw [naam 5] , (…);
" [bedrijf 1] B.V." voomoemd, de comparante sub I in privé alsmede de
hiervoor sub l.c. 1. en l.c.2. genoemde volmachtgevers hierna tezamen ook te
noemen 'verkopers";
II. (…) [Belanghebbende] hierna genoemd: koopster,
(…)
LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK
Verkopers hebben blijkens een met koopster in augustus tweeduizend drie mondeling aangegane koopovereenkomst, aan koopster verkocht en leveren aan koopster, die (…) van verkopers heeft gekocht en bij deze aanvaardt:
Kadastrale Gemeente [plaats 2] :
I de volledige eigendom van de verhuurde bedrijfsgebouwen, plaatselijk bekend te [plaats 2] , [ adres 2] , met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, uitmakende die ter plaatse afgepaalde gedeelten van de percelen kadastraal bekend in sectie [Letter] nummers [nummer 1] en [nummer 2] , ter totale grootte van ongeveer een hectare vier en zestig aren en zeven en twintigcentiaren als op de aan deze akte vastgehechte door de comparanten, handelende als gemeld,
(…)
hierna ook te noemen het verkochte, door koopster te gebruiken als bedrijfspand voor de verhuur.
(…)
VOORAFGAANDE VERKRIJGING
(…)
Gemeld nummer [nummer 2] is aan de volmachtgevers sub l.c.1. en l.c.2., alsmede nu wijlen hun broer, de Heer [naam 6] , belast met de zakelijke rechten van gebruik en bewoning ten behoeve van de comparante sub I in privé, in eigendom aangekomen, ieder voor een onverdeeld een/derde aandeel, bij akte van verdeling, (…)
Genoemde Heer [naam 6] , (…) is zonder achterlating van een of meer afstammelingen en zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt, overleden (…). Derhalve heeft genoemde Heer [naam 6] krachtens de wet als zijn enige erfgenamen achtergelaten zijn moeder, de comparante sub I alsmede zijn broer en zus, de volmachtgevers sub l.c.1. en l.c.2., zodat thans in de eigendom van gemeld nummer [nummer 2] zijn gerechtigd de comparante sub I in privé voor een/negende gedeelte en ieder van de volmachtgevers sub l.c.1. en l.c.2. voor vier/negende gedeelte, welke eigendomsrechten als gemeld zijn belast met gemelde zakelijke rechten van gebruik en bewoning ten behoeve van de comparante sub I in privé
KOOPPRIJS, VERREKENING DIVERSE BEDRAGEN
De koopprijs bedraagt een honderd vijftig duizend euro €150.000,00 (…)
(…)
Artikel 2
(…)
3. Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, met inachtneming van de lopende huurovereenkomst met de te [plaats 2] gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “ [bedrijf 2] B.V.”, voor een huurprijs van twaalfhonderd vijftig euro (€ 1.250,00) per maand (...) ”.
Belanghebbende heeft op 1 september 2010 een huurovereenkomst gesloten met
[bedrijf 3] B.V., vertegenwoordigd door [UBO] in zijn functie van bestuurder van [bedrijf 3] B.V. Het gehuurde is in de getypte tekst van de huurovereenkomst omschreven als bedrijfsruimte van ongeveer 200 m2, gelegen aan het adres [ adres 2] te [plaats 2] . Met pen is “bedrijfsruimte” gewijzigd in “bedrijfswoning” en is toegevoegd: “incl. werkplaats + werf”
In de huurovereenkomst is verder - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:
“HUUROVEREENKOMST VOOR ONROEREND GOED
(inzake terrein/gebouwen aan de [ adres 2] te [plaats 2] , Nederland)
Tussen de partijen:
[belanghebbende]
en
[bedrijf 3] B V ( [UBO] Nederland), (…)
(…)
Artikel 2 Huurtijd en opzegging
De huur wordt aangegaan voor 5 jaar ingaande op 1 september 2010 en eindigend op 31 augustus 2015.
Na het verstrijken van de huur zal de overeenkomst automatisch stilzwijgend verlengd worden met dezelfde termijn.
De huur kan op ieder tijdstip worden opgezegd door de huurder en verhuurder mits een vooropzeg van drie maanden aangetekend te zenden door de ene aan de andere partij, hetzij mits afgifte van opzegbrief met ontvangstbewijs.
(...)
Artikel 5 Huurprijs
De jaarlijkse basishuurprijs wordt vastgesteld op duizend tweehonderd en vijftig euro (€ 1.250,-) (...)"
[UBO] - UBO van belanghebbende (zie 2.1) – woont vanaf 29 april 2011 in de woning aan de [adres 3] te [plaats 2] , gelegen naast de onroerende zaak en de onroerende zaak staat hem ter beschikking. Zijn eenmanszaak, volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel onder meer handelend onder de namen [bedrijf 3] en [UBO] Nederland, staat ingeschreven op het adres van zijn woning.
Belanghebbende heeft zich niet bij de Belastingdienst gemeld. In 2011 heeft de inspecteur geconstateerd dat belanghebbende mogelijk belastingplichtig is in Nederland. De inspecteur heeft belanghebbende opgevoerd als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting met als vestigingsadres: [adres 1] , Luxemburg (hierna: het adres in Luxemburg ). Tevens heeft hij ambtshalve de aanslagen vennootschapsbelasting 2008 tot en met 2010 opgelegd.
Bij de inspecteur heeft zich namens belanghebbende de (toenmalige) gemachtigde gemeld. Die gemachtigde heeft de inspecteur verzocht een verplicht toezendadres te hanteren: [adres 4] , [postcode 2] , te [plaats 3] (hierna: het toezendadres). De inspecteur heeft het toezendadres opgevoerd en de aanslagen 2008 tot en met 2010, naar aanleiding van het namens belanghebbende door de toenmalig gemachtigde ingediende bezwaar, verminderd tot nihil.
In een uitdraai uit het register van ‘Registre de Commerce et des Sociétés’ (Luxemburgse Kamer van Koophandel) is - voor zover relevant - het volgende vermeld:
“(...)
Sitz der Gesellschaft
Die Domizilierungsstelle Maître [naam 2] zeigt an, dass der Domizilierungsvertrag ausgelaufen ist. Die Auswirkungen des Übereinkommens und die daraus entstehenden Verpflichtungen enden ab dem Datum der Hinterlegung der Aufkündigung beim Handels- und Firmenregister, nämlich am 01/03/2013.
Hausnummer Strasse
[adres 1]
Postleitzahl Ortschaft
[adres 1]
(...)”
Vanaf 1 maart 2013 is in voormeld register geen nieuw vestigingsadres geregistreerd. Evenmin vermeldt het register een bezoek-, post- of e-mailadres of een telefoonnummer van de bestuurders, van de UBO of van de gemachtigde.
Bij brief van 27 maart 2013 heeft de toenmalige gemachtigde de inspecteur geïnformeerd dat belanghebbende geen klant meer is. Daardoor is het toezendadres komen te vervallen.
Met dagtekening 8 juli 2013 heeft de inspecteur belanghebbende een brief gezonden op het adres in Luxemburg . In deze brief is, onder andere, het volgende vermeld:
“(…) Door onze administratie zijn in de afgelopen jaren aangiften vennootschapsbelasting (2011 en 2012) uitgereikt. Deze zijn verzonden naar uw gemachtigde [naam 8] in Nederland. Recent is echter door [naam 8] aangegeven dat zij uw vennootschap niet meer vertegenwoordigen. Helaas hebben wij de uitgereikte aangiften niet retour ontvangen.
Ook op de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte is géén reactie gekomen. Momenteel ben ik bezig met de beoordeling van de ambtshalve aanslagen vennootschapsbelasting 2011. Hieronder bevind zich ook de ambtshalve aanslag van [belanghebbende] S.A. Uit onderzoek is bekend dat uw vennootschap gevestigd is op het bovenstaande adres. Ook blijkt dat het pand in 2011 nog steeds in het bezit van de vennootschap was en verhuurt werd aan derden.
Ik ben van plan om de aanslag vennootschapsbelasting 2011 vast te stellen op € 15.000. Daarnaast zal bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting ook een boete € 2.460 wegens het niet doen van aangifte worden opgelegd.
Ik wil u nog in de gelegenheid stellen om te reageren op deze brief of alsnog aangifte vennootschapsbelasting te doen. Mocht ik vóór 8 augustus 2013 géén reactie van u ontvangen hebben, zal ik de aanslag ambtshalve opleggen en de invordering van de openstaande belastingschulden opstarten. Dit kan er toe leiden dat wij beslag laten leggen op het in Nederland gelegen pand.”
De brief van 8 juli 2013 is door de inspecteur retour ontvangen.
Met dagtekening 27 augustus 2013 heeft de inspecteur belanghebbende een brief gezonden op het adres in Luxemburg . In deze brief is, onder andere, het volgende vermeld:
“(...) In mijn brief van 8 juli 2013 heb ik u gewezen op de aangifteplicht voor de vennootschapsbelasting in Nederland en uw verzocht om uiterlijk 8 augustus 2013 te reageren of alsnog aangifte te doen. Tot op heden heb ik helaas niets mogen ontvangen.
Ondertussen is ook de aangiftetermijn voor de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2012 verlopen. Helaas hebben wij deze aangifte ook niet mogen ontvangen.
Ik wil u voor beide jaren nog een laatste keer in de gelegenheid te stellen om een juiste aangifte vennootschapsbelasting in te leveren. Mocht ik uiterlijk 28 september 2013 géén aangifte of een andere reactie van u ontvangen hebben dan stel ik de aanslag vennootschapsbelasting 2011 en 2012 ambtshalve vast op € 15.000. Omdat uit mijn gegevens blijkt dat de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte aan uw vorige adviseur is gestuurd, zal ik géén verzuimboete wegens het niet doen van aangifte opleggen.
Zoals al in mijn brief van 8 juli 2013 aangegeven kan de invordering van de openstaande belastingschulden leiden tot beslaglegging op het in Nederland gelegen pand.”
De brief van 27 augustus 2013 is door de inspecteur retour ontvangen.
Belanghebbende is uitgenodigd om aangifte vennootschapsbelasting 2013 te doen. De uitnodiging tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2013 is retour ontvangen door de inspecteur.
Op het adres van het pand stonden in 2017 de volgende (rechts)personen ingeschreven: [UBO] , de gemachtigde, Vereniging [naam 7] van welke vereniging de gemachtigde bestuurder is, [bedrijf 4] B.V. en [bedrijf 3] B.V. [UBO] afficheert zich op internet op het adres van het vastgoed als handelaar in stookhout. De activiteiten van zowel [bedrijf 4] B.V. als [bedrijf 3] B.V. bestonden onder meer uit groothandel in hout. De gemachtigde woont in Brazilië en oefent zijn adviesbureau uit op het adres van het pand.
Tot de gedingstukken behoren een uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2017. Daarop is telkens het adres in Luxemburg vermeld. Bij de aanmaning is de uiterste datum voor het doen van de aangifte gesteld op 27 november 2018.
Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn aangifte gedaan. De inspecteur heeft op 9 februari 2019 ambtshalve een aanslag opgelegd naar een belastbare winst van € 21.300. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een rendement van 5% over de WOZ-waarde die voor de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2017 met waardepeildatum 1 januari 2016, destijds volgens de inspecteur bij beschikking op € 426.000 was vastgesteld. De WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2017 (met waardepeildatum 1 januari 2016) is ambtshalve verminderd tot € 265.000 als gevolg van een in september 2022 met de gemeente [plaats 2] gesloten compromis betreffende de WOZ-waarden 2017 tot en met 2022.
Bij brief van 25 februari 2019 - ingekomen op 1 maart 2019 - heeft de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur het volgende geschreven:
“(...)
Mijn cliënt [belanghebbende] S.A. heeft onlangs via derden vernomen dat u aanslagen vennootschapsbelasting jegens haar opgelegd zou hebben, waarbij mijn cliënt verplicht zou zijn om vennootschapsbelasting af te dragen. Mijn cliënt heeft echter nooit van u enige aanslag vennootschapsbelasting in deze mogen ontvangen dan wel een uitnodiging tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting dan wel enige andere correspondentie aangaande.
Hierbij verzoek ik u een afschrift van de door u opgelegde (voorlopige) aanslagen vennootschapsbelasting vanaf de kalenderjaren 2008 tot en met 2017 te doen toekomen aan mijn cliënt. Mijn cliënt heeft gedurende deze jaren nooit winst gemaakt en kan reeds om deze reden geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.
U kunt deze aanslagen sturen naar het volgende tijdelijke postadres in Nederland:
[belanghebbende] S.A.
T.a.v. de directie
[ adres 2]
[postcode 1] [plaats 2]
(...)”
Bij e-mail van 24 mei 2019 wordt belanghebbende door een notariskantoor op de hoogte gesteld van de opdracht van de Belastingdienst om het pand in het openbaar te verkopen. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende contact gehad met de notaris en de ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de ontvanger). De ontvanger en belanghebbende spreken af dat de ontvanger duplicaten van de aanslagen vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2018 aan belanghebbende zal toezenden, dat de openbare verkoop wordt uitgesteld tot 31 juli 2019 en dat belanghebbende vóór 31 juli 2019 bezwaarschriften zal indienen en deze in kopie aan de ontvanger zal verstrekken. Op 28 mei 2019 ontvangt (de gemachtigde van) belanghebbende per e-mail afschriften van de ambtshalve opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2018, welke ontvangst hij de ontvanger bevestigt bij e-mail van die datum.
Met dagtekening 30 juni 2019, door de inspecteur ontvangen op 3 juli 2019, heeft belanghebbende de inspecteur een brief gezonden waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de aanslagen over 2011 tot en met 2017 en de opgelegde verzuimboeten over 2014 tot en met 2017. Op 11 december 2019 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van haar inzagerecht en is belanghebbende gehoord. Voorafgaand aan de inzage en het hoorgesprek heeft belanghebbende aangiften vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2018 afgegeven aan de receptie van de Belastingdienst naar een belastbare winst van nihil.
De inspecteur heeft een op 19 november 2019 opgemaakte verzendrapportage overgelegd met betrekking tot de verzending van de uitnodiging, herinnering en aanmaningen tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2017. Daarin is vermeld dat deze poststukken ter verzending zijn aangeboden aan PostNL en een beschrijving van de afspraken die met PostNL zijn gemaakt.
Op 27 maart 2020 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2017 wegens het overschrijden van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren in zoverre in aanmerking genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen. De bezwaren tegen de bij die aanslagen opgelegde verzuimboeten heeft hij ontvankelijk verklaard en afgewezen.
De inspecteur heeft een BVR registratieoverzicht overgelegd waaruit volgt dat het adres in Luxemburg op 4 oktober 2014, met registratiecode 02 - vestigingsadres, is afgevoerd en op dezelfde dag, met registratiecode 20 - fiscaal vestigingsadres, is opgevoerd. Tot de gedingstukken behoren ook BVR registratieoverzichten met detailinformatie betreffende de registratiecodes 02 en 20. Deze overzichten vermelden elk de volgende informatie: vervaldatum 4 oktober 2014, opvoerdatum 18 oktober 2014, bron opvoer 0008 en bronsoort 4. Deze overzichten heeft de inspecteur bij de rechtbank ingebracht in de in 1.2 genoemde procedure; belanghebbende heeft deze overzichten gevoegd bij de motivering van haar hoger beroep.
Bij tussenuitspraak van 4 juni 2021 heeft de rechtbank de inspecteur in de gelegenheid gesteld om alsnog op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. De inspecteur heeft hierop bij brief van 24 juni 2021 gereageerd. Deze reactie is op 28 juni 2021 binnengekomen bij de rechtbank en op 5 juli 2021 doorgestuurd naar belanghebbende.
De rechtbank heeft het beroep betreffende het jaar 2017 bij uitspraak van 10 september 2021 deels gegrond verklaard omdat volgens de rechtbank het bezwaar met betrekking tot de aanslag en de belastingrentebeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard (zie 1.3). De rechtbank heeft de zaak in zoverre terugverwezen naar de inspecteur voor inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft daarnaast de inspecteur veroordeeld tot het vergoeden de proceskosten van € 2.026 en het griffierecht van € 354.
Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 12 november 2021, ontvangen door de inspecteur op 15 november 2021, in gebreke gesteld wegens het uitblijven van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft in dezelfde brief verzocht om een hoorzitting. Belanghebbende is op 30 november 2021 digitaal gehoord. De inspecteur heeft belanghebbende voorafgaand aan het hoorgesprek digitaal inzage verleend door het dossier om 7:52 uur ter beschikking te stellen via Belastingdienst File Transfer. Belanghebbende heeft van deze inzage gebruik gemaakt door om 10:19 uur het dossier te downloaden. De inspecteur heeft op 3 december 2021 het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft op 18 december 2021 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarnaast de inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade van € 2.500, de proceskosten van € 837 en het griffierecht van € 360.
Het hof heeft op 29 maart 2023 uitspraak gedaan (zie 1.6) over de aanslagen over de jaren 2011 tot en met 2016 en de bij beschikking opgelegde verzuimboetes over de jaren 2014 tot en met 2017. Het hof heeft ten aanzien van de verzuimboete 2017 geoordeeld dat de boete terecht is vastgesteld en dat de rechtbank de boete terecht met 10% heeft gematigd wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak cassatie ingesteld.
De door het hof op 17 november 2022 naar het Luxemburgse adres gezonden nota griffierechten is door het hof retour ontvangen op 13 december 2022. De Luxemburgse Belastingdienst heeft op 30 januari 2023 een brief gestuurd gericht aan:
“ [belanghebbende]
c/o [bestuurder 2] Administrateur
[adres 5]
[plaats 4] ”
met de volgende inhoud:
“Monsieur,
L’entreprise des postes et télécommunications vient de me retourner le courrier ci-annexé destine a la société anonyme [belanghebbende] et envoyé a l’adresse de son ancien siège social a [adres 1] .
Je vous prie donc en votre qualité d’administrateur de la société précitée de bien vouloir me communiquer dans les meilleurs délais l’adresse de son nouveau siège tout en vous rendant attentif a l’article 462-1 de la loi modifiée du 10 aout 1915 concernant les sociétés commerciales (titre IV, Chapitre VI, section 2) qui prévoit que tout changement de siège social est a publier au ‘recueil électronique des sociétés et associations’ par les soins des administrateurs ou membres du directoire, selon les cas. Si ce nouveau siège devait se situer en dehors du territoire du Grand-Duche, vous voudrez m’indiquer une personée demeurant au Grand-Duche et habilitée a recevoir tout courrier émanant de notre administration ou bien une adresse postale valable.
A toutes fins utiles, je vous joins en annexe un extrait des principales dispositions légales qui règlementent les obligations qui vous incombent a l’égards de l’administration des contributions directes en votre qualité d’administrateur.”
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) geschonden?
II. Zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
III. Is er aanleiding voor omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte?
IV. Is de ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2018 tot een te hoog bedrag opgelegd?
V. Heeft belanghebbende recht op een werkelijke proceskostenvergoeding?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2017 en de bijbehorende belastingrente- en boetebeschikkingen. Wat betreft de conclusie betreffende de boete is het ook belanghebbende thans duidelijk, zo maakt het hof op uit het verhandelde ter zitting, dat het hof in deze uitspraak niet beslist over de boete, aangezien de gelijktijdig met de onderhavige aanslag opgelegde verzuimboete geen deel uitmaakt van de procedure waarin het hof heden uitspraak doet (zie 2.23 en 2.25).
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.