Home

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1, BK-24/51

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1, BK-24/51

cassatie ingesteld (rolnr HR: 25/00616)

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
9 januari 2025
Datum publicatie
3 februari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:1
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/51
Relevante informatie
Art. 3.84 Wet IB 2001, Art. 6 Wet LB, Art. 31 Wet LB, Art. 31a lid 2 Wet LB

Inhoudsindicatie

Rijnvarende. Premieheffing volksverzekeringen 2018. Werkgever in Liechtenstein. A1-verklaring SVB onherroepelijk. Belanghebbende in Nederland verzekerd en premieplichtig. A1-verklaring vanaf 1 oktober 2018 van Liechtenstein heeft geen betekenis meer. Geen verrekeningsmogelijkheid. Premies (nog) niet overgemaakt door Liechtenstein. Geen toepassing Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden. Bijdrage werkgever Krankenkasse is loon. Aftrek werkkostenregeling juist berekend. Loon eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/51

in het geding tussen:

(gemachtigde: M.J. van Dam)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 december 2023, nummer SGR 22/6857.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.323 en naar een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 32.323. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 585 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV 2018 gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Staat veroordeeld tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500, een proceskostenvergoeding toegekend van € 837 en de terugbetaling van het door belanghebbende betaalde griffierecht gelast van € 50.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 10 oktober 2024 nadere stukken en op 11 oktober 2024 een pleitnota ingediend. De Inspecteur heeft op 10 oktober 2024 een pleitnota ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 oktober 2024. Partijen zijn verschenen.. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt

Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1958, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in het onderhavige jaar in Nederland.

2.2.

Belanghebbende is het gehele jaar 2018 in dienstbetrekking werkzaam voor [A AG] , gevestigd te [vestigingsplaats] , Liechtenstein ( [A AG] ). Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 verricht aan boord van het binnenvaartschip “ [naam schip 1] ” en vanaf 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 aan boord van het binnenvaartschip “ [naam schip 2] ”. Deze schepen varen in het stroomgebied van de Rijn en de exploitanten van deze schepen, [B C.V.] en [C V.O.F.] zijn in Nederland gevestigd.

2.3.1.

Op 6 juni 2016 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bij voorlopig besluit de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing verklaard. Bij uitspraak van 9 maart 2018 heeft de SVB het bezwaar van belanghebbende tegen dat besluit ongegrond verklaard. Bij besluit van die datum heeft de SVB een A1-verklaring gegeven, waarin is geoordeeld dat op grond van de Basisverordening (Verordening (EG) nr. 883/2004), van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 februari 2019, 18/2903 e.a., ECLI:NL:RBAMS:2019:1359, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609, deze uitspraak bevestigd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610, het cassatieberoep met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard.

2.3.2.

Het socialezekerheidsorgaan in Liechtenstein heeft bij de SVB op 18 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de genomen verzekeringsvaststelling. Als gevolg hiervan is een dialoogprocedure opgestart.

2.3.3.

Op 15 oktober 2018 is door het socialezekerheidsorgaan in Liechtenstein aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven, waarin is vermeld dat belanghebbende vanaf 1 september 2018 in Liechtenstein verzekerd is voor sociale zekerheid.

2.3.4.

Na een bij [A AG] verricht onderzoek heeft het Liechtensteins socialezekerheidsorgaan op 19 december 2019 het bezwaar van 18 mei 2018 tegen het voorlopig besluit van 6 juni 2016 van de SVB dat het Nederlands socialezekerheidsrecht van toepassing is, ingetrokken.

2.3.5.

De SVB heeft tijdens de procedure bij de Centrale Raad van Beroep bij brief van 2 april 2020 het Liechtensteinse socialeverzekeringsorgaan laten weten dat is vast komen te staan dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is. Ter bescherming van de rechten volgens artikel 6, lid 4 en artikel 73, lid 2, van de Toepassingsverordening (Verordening (EG) nr. 987/2009) wordt het Liechtensteins bevoegde orgaan verzocht de in Liechtenstein betaalde premies te verrekenen met de in Nederland verschuldigde premies.

2.3.6.

De gemachtigde van belanghebbende heeft, als vertegenwoordiger van de werkgever, [A AG] , bij brief van 22 april 2020 voor onder meer voor belanghebbende verzocht:

“Antrag ex Artikel 16 der Grundverordnung (883/2004).

auf Ausnahmen von den Artikeln 11 bis 15 der Grundverordnung

(…)

Unter Hinwels auf Artikel 18 der Durchführungsverordnung bitte ich Sie somit im Namen der Mandanten, in Übereinstimmung mit dem in Artikel 16 der Grundverordnung beabsichtigten Interesse der Mandanten, das Liechtensteinische Sozlalversicherungsrecht anwendbar zu erklären.”

2.3.7.

De SVB heeft bij brief van 1 februari 2021 de Liechtensteinse autoriteiten verzocht de door laatstgenoemde op 15 oktober 2018 gegeven A1-verklaring in te trekken gelet op de eerdere mededeling dat de bezwaren tegen voorlopige vaststelling van de verzekeringsplicht zijn ingetrokken op 19 december 2019. De SVB heeft bij het Liechtensteins orgaan meerdere keren (schriftelijk en telefonisch) verzocht om heroverweging van de afgegeven A1-verklaring.

2.3.8.

In zijn brief van 12 januari 2024 heeft het Liechtensteinse socialezekerheidsorgaan aan de SVB gemeld (vertaling uit het Duits):

“(…) Wij bevestigen graag nog eens dat wij op 19-12-2019 onze bezwaren hebben ingetrokken tegen de door de SVB afgegeven PO A1 verklaringen (geldig tot 01-04-2019) waarin de toepassing van de Nederlandse wetgeving is vastgesteld.

Met onze brief van 15-10-2018,hebben wij u over de gewijzigde juridische situatie voor Rijnschippers van de in Nederland wonende werknemers van [A AG] geïnformeerd en voorlopig vastgesteld dat de wetgeving van Liechtenstein van toepassing is. Tevens hebben wij de PO A1 verklaring met "begindatum: 01-09-2018 en einddatum: lopend" afgegeven. Met brief van 20-11- 2018 heeft de SVB ons meegedeeld dat de SVB niet akkoord gaat met de voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving o.g.v. artikel 16 EG-Vo. 987/2009 en AC Decision No A1.

Vanwege uw bezwaren hebben wij u op 21-12-2018 bevestigd dat wij op grond van het gemaakte bezwaar niet langer vasthouden aan onze voorlopige vaststelling dat de wetgeving van Liechtenstein van toepassing is. De voorlopig afgegeven PD A1 verklaringen zijn echter niet formeel door ons ingetrokken, dit willen wij bij deze alsnog doen. Voor de betreffende periode beschikken wij nog niet over Nederlandse PO A1 verklaringen. Wij verzoeken de SVB om deze verklaringen alsnog af te geven.

(…)”

2.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.323, bestaande uit een buitenlands inkomen uit dienstbetrekking van € 32.323. De inkomsten uit eigen woning worden op € 0 gesteld vanwege aftrek geringe eigen woningschuld van € 1.575. Belanghebbende heeft tevens voor het buitenlands inkomen om aftrek elders belast verzocht en voor het gehele jaar om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen.

2.5.

De Inspecteur heeft op 21 augustus 2021 de aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.323. De aftrek elders belast, de aftrek geringe eigenwoningschuld en de vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen heeft de Inspecteur niet verleend. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd.

2.6.

Volgens de loonstroken bedragen het brutoloon van [A AG] en de inhoudingen over het jaar 2018 in totaal (omgerekend in euro’s):

‘Monatslohn’ € 31.532,39

‘AHV-IV-Abzug1’ € 1.482,01

‘Arbeitslosenversicherung’ € 157,69

‘Taggeld Krankenkasse’ € 551,76

‘Krankenversicherungsanteil’ € 3.133,13

‘Nichtbetriebsunfall’ € 389,57

‘Pensionskasse CH Variabel Sparanteil’ € 1.261,38

‘Pensionskasse CH Variabel Risikoanteil’ € 383,51

‘Krankenkasse Arbeitgeber Beitrag’ € 1.613,25.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Verzekerings- en premieplicht

7. Vaststaat dat de SVB, de bevoegde instantie in Nederland, aan eiser een A1-verklaring heeft afgegeven voor de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019, waarbij het Nederlandse sociale zekerheidsrecht op eiser van toepassing is verklaard. Het beroep tegen de beslissing van de SVB om de A1-verklaring in stand te laten is door de rechtbank Amsterdam ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd (zie onder 3). De A1-verklaring is niet ingetrokken of ongeldig verklaard.

8. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad[3] volgt dat zowel verweerder als de belastingrechter gebonden zijn aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring zolang die niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard. In dit geval staat de A1-verklaring onherroepelijk vast. De rechtbank is dus gebonden aan de A1-verklaring en komt daarom niet toe aan de inhoudelijke toets of eiser, zoals zijn gemachtigde stelt, een substantieel deel van de tijd in Nederland heeft gewerkt als bedoeld in artikel 13 van de Basisverordening. Dat Liechtenstein voor de periode vanaf 1 september 2018 (ook) een A1-verklaring heeft afgegeven, doet hier niet aan af. Nog daargelaten dat de houdbaarheid van de door Liechtenstein gegeven A1-verklaring onbekend is - immers, Nederland (de SVB) heeft tegen de afgifte daarvan officieel bezwaar gemaakt en heeft Liechtenstein daarbij verzocht die verklaring weer in te trekken - is in een geval als dit naar het oordeel van de rechtbank de eerst gegeven A1-verklaring, in casu de door de SVB gegeven A1-verklaring waarin de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op eiser van toepassing is verklaard, leidend voor de Nederlandse premieheffing. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat van de meest recente A1-verklaring moet worden uitgegaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat Liechtenstein het bezwaar tegen de Nederlandse A1-verklaring bij brief van 19 december 2019 heeft ingetrokken.

Onderlinge overeenstemming

9. Eiser heeft aangevoerd dat in het onderhavige geval, waarin, naar hij stelt, sprake is van dubbele heffing van sociale verzekeringspremies, artikel 16 van de Basisverordening dient te worden toegepast in het belang van een bepaald persoon (eiser) en dat daarom de lidstaten in onderlinge overeenstemming dienen te komen tot een uitzondering op de Basisverordening.

10. Indien eiser uitzondering wenst op zijn verzekeringsplicht op grond van de Basisverordening zal hij, overeenkomstig de in artikel 18 van Verordening (EG) 987/2009 (de Toepassingsverordening) beschreven procedure, een verzoek moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst, in dit geval Liechtenstein. Eiser heeft een dergelijk verzoek, naar de rechtbank begrijpt, ook ingediend. De omstandigheid dat een dergelijk verzoek is gedaan kan, anders dan eiser kennelijk meent, op zich echter niet leiden tot toepassing van artikel 16 van de Basisverordening in de onderhavige procedure, omdat deze toepassing is voorbehouden aan de bevoegde organen van de betreffende staten.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

11. Gelet op de hiervoor in overweging 8 vermelde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad betreffende de status van de A1-verklaring alsmede het in de onderhavige zaak betreffende de verzekeringsplicht gegeven oordeel van de Centrale Raad van Beroep (zie onder 3) heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser premieplichtig is in Nederland. Niet valt in te zien hoe verweerder daarmee in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bij het nemen van zijn besluit.

12. Ook de stelling van eiser dat hij de menselijke maat aan de zijde van verweerder mist, waardoor de onderhavige wettelijke regeling in zijn geval onredelijk en onbillijk uitwerkt, kan hem niet baten, aangezien het de rechtbank ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te toetsen.

(…)

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser over de in geding zijnde perioden terecht verzekerd geacht voor de volksverzekeringen en in de premieheffing volksverzekeringen betrokken.

(…)

Koersverschil

17. Eiser heeft in zijn nader stuk van 6 december 2023 gesteld dat zowel in de aangifte als de aanslag de bedragen in Zwitserse frank zijn en niet zijn omgerekend in euro’s. Het inkomen in de aanslag dient na omrekening te worden vastgesteld op € 27.858 en na vermindering op grond van de werkkostenregeling op 27.523,70. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de definitieve aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, omdat moet worden uitgegaan van het bruto-inkomen van CHF 36.473. Omgerekend tegen de door eiser gehanteerde wisselkoers van 1 CHF = EUR 0,86455 bedraagt het bruto-inkomen € 33.524. Hierop mogen volgens verweerder niet alle in Liechtenstein ingehouden sociale verzekerings- en pensioenpremies in mindering worden gebracht, zoals eiser volgens verweerder wel heeft gedaan. Eiser verwijst hiervoor naar de mededeling van 26 november 2020, DGBD 178296. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat eiser het bruto-inkomen van € 36.473 had moeten aangeven en daarop bepaalde Liechtensteinse sociale verzekerings- en pensioenpremies had kunnen aftrekken. De rechtbank leidt uit de overgelegde loonstroken (“Lohnabrechnung") en de loonverklaring (“Lohnausweis”) af dat het brutoinkomen van eiser CHF 36.473 bedraagt in 2018. Verder volgt uit de loonverklaring - na inhouding van Liechtensteinse sociale verzekerings- en pensioenpremies - een inkomen van CHF 32.223 en blijkt uit het ingediende aangiftebiljet een inkomen van EUR 32.323. De rechtbank acht het aannemelijk dat het verschil tussen het bedrag van CHF 32.223 en het in de aangifte opgenomen bedrag van EUR 32.223 berust op een verschrijving, zodat het aannemelijk is dat eiser het brutoloon na aftrek van alle premies voor Liechtensteinse sociale verzekeringen en pensioenpremies in Zwitserse frank heeft aangegeven. Eiser heeft weliswaar de loonstroken en de loonverklaring overgelegd, maar hij heeft nagelaten te onderbouwen welke van de daarin genoemde sociale verzekerings- en pensioenpremies, gelet op de hiervoor genoemde mededeling van 26 november 2020 DGBD 178296 voor aftrek in aanmerking komen. Daarmee heeft eiser het door hem voorgestane inkomen van € 27.523,70, mede gelet op de gemotiveerde weerspreking van verweerder, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lager inkomen dan het door eiser in zijn aangifte aangegeven inkomen. Eisers verwijzing naar paragraaf 1.5 van de toelichting bij de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden[5], waaruit hij afleidt dat de Belastingdienst in de praktijk buitenlandse premies in aftrek toelaat, maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat deze regeling ziet op de periode 2010-2015 en overigens niet op belanghebbende van toepassing is, kan aan deze opmerking niet het vertrouwen worden ontleend dat in het buitenland betaalde sociale verzekerings- en pensioenpremies in zijn algemeenheid, en dus ook voor eiser, aftrekbaar zijn.

Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden

18. Het beroep dat eiser doet op overeenkomstige toepassing van de hiervoor genoemde Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden, wordt door de rechtbank verworpen, reeds omdat deze regeling inmiddels is vervallen en gold voor een specifieke groep rijnvarenden gedurende een specifieke periode die hier niet van toepassing is.[6]

Belastingrente

19. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

(…)

[3] HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, BNB 2009/312, r.o. 3.4.5 en HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44, r.o. 5.4 tot en met 5.5.1.

(…)

[5] Stcrt. 2021, 50396.

[6] Vgl. Hof Den Haag 26 oktober 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2088, r.o. 5.10.1 en 5.10.2.

(…) ”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing