Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:81, BK-23/899
Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:81, BK-23/899
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 januari 2025
- Datum publicatie
- 17 februari 2025
- Annotator
- Zaaknummer
- BK-23/899
- Relevante informatie
- Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 6:119 BW, Art. 110 VWEU, Art. 267 VWEU
Inhoudsindicatie
Wet bpm. VWEU. Geen schending hoorplicht. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Bevoegdheid tot naheffen. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Heffingsmodaliteiten niet in strijd met Unierecht. Vergoeding immateriële schade. Hoogte proceskosten. Vergoeding wettelijke rente.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/899
in het geding tussen:
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 augustus 2023, nr. SGR 22/4067.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 2.777 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 18 november 2024 een nader stuk (pleitnota en recente machtiging) ingekomen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 december 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 19 februari 2020 heeft belanghebbende een aangifte bpm ingediend voor een Renault Kangoo 1.2 TCe Limited, met een datum eerste toelating 22 augustus 2017 (de auto). Het uit de aangifte volgende bedrag aan bpm van € 676 heeft belanghebbende voldaan.
Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van 18 februari 2020 van [naam taxateur] (het taxatierapport). In het taxatierapport is opgenomen dat op 18 februari 2020 een taxatie is uitgevoerd van de auto. De taxateur heeft de historische nieuwprijs op € 22.770 gesteld. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur aan de hand van een drietal referentievoertuigen vastgesteld op € 12.440. De taxateur heeft wegens schade een bedrag van € 10.394,30 (reparatiekosten inclusief btw) vastgesteld en dit geheel in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 2.045,70. De historische bruto bpm is in de aangifte berekend op € 7.731.
De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle en belanghebbende bij brief van 14 oktober 2020 verzocht om nadere informatie:
“(…)
Om de aangifte inhoudelijk te beoordelen heb ik kopieën nodig van de inkoop- en verkoopfactuur, alsmede de reparatienota’s.
De foto's in het betreffende taxatierapport zijn dusdanig klein dat deze moeilijk te
beoordelen zijn op schade. Om een goed beeld van de schade te krijgen heb ik
duidelijke foto's nodig. Ik verzoek u bij uw taxateur de digitale foto's uit het
taxatierapport op te vragen en deze aan mij toe te zenden via de mail.(…)
(…)
Lever de kopieën op tijd in. (…) U hebt hiervoor de tijd tot 4 november 2020.
Als ik de gevraagde kopieën heb ontvangen, neem ik uw aangifte verder in behandeling. Reageert u niet voor de hierboven genoemde datum, dan handel ik uw aangifte af met de gegevens die ik heb. Dit kan betekenen dat u een naheffingsaanslag krijgt.
(…)”
Belanghebbende heeft op 26 oktober 2020 per e-mail op dit informatieverzoek gereageerd. Het e-mailbericht luidt als volgt:
“de wetgever heeft beoogd de vaststelling en omvang van de schade bij de invoer van gebruikte
voertuigen exclusief te laten beoordelen en vaststellen door een derde deskundige. Wanneer u het
niet eens bent met de vaststelling, bent u gehouden het voertuig ter beoordeling op het moment van aangifte ter beoordeling voor te leggen aan de DRZ of enig andere deskundige. U heeft daarin
verzuimd. De wetgever heeft expliciet beoogd de in het fiscale recht geldende vrije bewijslast
nadrukkelijk te beperken.
U moet deze reactie opnemen als een bezwaar tegen de artikel 47 AWR verzoeken, nu uw verzoek
niet kan bijdragen aan de vaststelling van de juiste belasting.
Ik verzoek u verdere correspondentie te voeren met mijn gemachtigde, de heer Verhoeven van […] te […] .”
Met dagtekening 16 november 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende een zogenoemde “kennisgeving naheffingsaanslag BPM” gezonden en hem daarbij medegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur heeft de verschuldigde bpm berekend op € 3.453. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire tabel, omdat deze in belanghebbendes geval volgens de Inspecteur voordeliger is dan toepassing van een koerslijst. De Inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen drie weken op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Met dagtekening 29 januari 2021 heeft de Inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is vastgesteld op € 2.777 (€ 3.453 minus € 676 (zie 2.1)).
De gemachtigde van belanghebbende is bij brief van 7 april 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek. Bij e-mailbericht van 10 mei 2021 heeft de gemachtigde deze uitnodiging afgewezen in verband met zijn vakantie tot en met 16 mei 2021 en daarbij aangegeven niet eerder dan eind mei in staat te zijn om een hoorgesprek te voeren. De gemachtigde is vervolgens bij brief van 17 mei 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021. De gemachtigde is bij dat hoorgesprek niet verschenen.
Bij e-mailbericht van 2 juli 2021 heeft de gemachtigde de Inspecteur een
e-mailbericht overgelegd van 19 mei 2021, waarin hij zich heeft afgemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. Dit e-mailbericht vermeldt onder meer:
“Ik ontving zojuist van u een uitnodiging voor een hoorgesprek van 27 mei 2021. (…) 27 mei 2021 ben ik verhinderd. Het is verder uiteraard niet kies om op 19 mei 2021 een uitnodiging te sturen voor een week later. Ik ga echt geen 2 keer in de week met u een hoorgesprek houden, 1 keer per week is ruimschoots genoeg (…).
(…)”
In een e-mailbericht van 2 juli 2021 aan zijn collega’s heeft de behandelend medewerker van de Belastingdienst het volgende geschreven:
“De heer Verhoeven gaat in op het hoorgesprek van 27 mei 2021. Dat is niet doorgegaan omdat hij
niet is verschenen in de WebEx meeting.
Hij stelt hieronder dat hij zich heeft afgemeld. Geel gemarkeerd.
S.v.p. ook in de dossiers opbergen.
Ik sla het ook op in de map hoorverslag 27 mei 2021.
De mail onderaan waarmee hij zich heeft afgemeld heeft hij verstuurd op 19 mei 2021. Heb ik echter nooit ontvangen. Waarschijnlijk verstuurd vanaf zijn geblokkeerde e-mailadres.
Hoe dan ook; niet afgemeld. Ik wist van niets.
De stukken van 25 mei 2021 heb ik pas op 25 mei ontvangen, ook die zijn kennelijk eerder vanaf het geblokkeerde adres verstuurd.”
Bij de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Naheffen na belastbaar feit
7. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
8. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verweerder heeft eiser bij brief van 16 november 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
Bewijslast en schade
9. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiser (ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318). Die bewijsregel geldt ook indien de Bpm wordt nageheven door middel van een naheffingsaanslag. Eiser heeft verwezen naar het taxatierapport. Verweerder heeft het taxatierapport van eiser terecht terzijde geschoven omdat op basis van de daarin opgenomen foto’s de gestelde schade niet aannemelijk is gemaakt.
10. Verweerder heeft de verschuldigde Bpm berekend door uit te gaan van de forfaitaire tabel omdat dat, onweersproken door eiser, de meest voordelige berekening is. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft verweerder extra leeftijdskorting in aanmerking genomen voor een bedrag van € 663. Eiser heeft geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er meer extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.
11. Wat eiser heeft aangevoerd over Domeinen Roerende Zaken (DRZ) faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat de auto niet is geschouwd door DRZ. Nu de naheffingsaanslag is opgelegd op basis van de forfaitaire tabel behoeft hetgeen eiser heeft aangevoerd over de zogenoemde 72%-norm evenmin behandeling.
Verschil in heffingsmodaliteiten
12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1277). Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient eiser zich te wenden tot de civiele rechter.
Hoorrecht
13. In een e-mail van 10 mei 2021 heeft de gemachtigde van eiser een uitnodiging voor een hoorgesprek van 17 mei 2021 afgeslagen vanwege zijn vakantie, die duurde tot en met 16 mei 2021. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven niet eerder dan "eind mei" in staat te zijn om een hoorgesprek te voeren. De gemachtigde is vervolgens bij brief van 17 mei 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021 via WebEx. De gemachtigde heeft op het desbetreffende tijdstip niet ingelogd. Achteraf heeft de gemachtigde een e-mail van 19 mei 2021 overgelegd aan de inspecteur, waarin hij zich heeft afgemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. In die e-mail schrijft hij ook kort daarvoor stukken aan verweerder te hebben ge-e-maild. Verweerder heeft verklaard de e-mail van 19 mei 2021 niet te hebben ontvangen, vermoedelijk vanwege een op dat moment geldend e-mailverbod. Tegenover de ontkenning door verweerder heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat zijn afmelding verweerder daadwerkelijk heeft bereikt. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat uit een interne e-mail van verweerder van 2 juli 2021 blijkt dat ook de stukken die de gemachtigde stelt op 19 mei 2021 aan verweerder te hebben ge-e-maild, niet door verweerder zijn ontvangen. Daarnaast geldt, zo verweerder die afmelding al zou hebben ontvangen, dat de gemachtigde geen reden van verhindering opgegeven, terwijl hij eerder had aangegeven beschikbaar te zijn voor hoorgesprekken eind mei. Het had dan op zijn weg gelegen om de reden van verhindering te specificeren en zo nodig te onderbouwen. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord en dat het hoorrecht dus niet is geschonden.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
15. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
16. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt (vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579). Eiser heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Ook anderszins is dit niet gebleken.
17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 16 februari 2021 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 18 augustus 2023 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en (naar boven afgerond) zeven maanden heeft geduurd. Daarmee is op zichzelf de redelijke termijn overschreden met zeven maanden. Nu verweerder op 2 juni 2022 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, is deze termijnoverschrijding geheel toe te rekenen aan verweerder.
18. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt spanning en frustratie bij eiser verondersteld. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden (Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 en Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461). Anders dan de gemachtigde stelt, staat het Europese recht er niet aan in de weg dat de regeling voor immateriële schadevergoeding nationaal wordt ingevuld (zie onder andere het arrest van 29 maart 2006, inzake Scordino tegen Italië, zaak nr. 36813/97 (gepubliceerd in ).
19. De rechtbank stelt vast dat in de machtiging die bij het beroepschrift is gevoegd over de vergoeding van immateriële schade het volgende is vermeld:
“alle ter zake van deze procedures/gesprekken toegekende bedragen rechtstreeks in ontvangst te nemen zodat deze zonder tussenkomst van [eiser] overgemaakt kunnen worden op rekening van gemachtigde, waaronder mede uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen:
(…)
-immateriële schadevergoeding en/of;
(…)”
[eiser] verklaart tenslotte met gemachtigde afspraken te hebben gemaakt over de vergoeding van de door gemachtigde ten behoeve van [eiser] gemaakte en te maken kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zaken als hierboven weergegeven, welke vergoeding wordt vastgesteld op basis van het no cure no pay beginsel.”
Anders dan in de zaak die voorlag in het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:965) is in casu dus geen sprake van het enkel door eiser aanwijzen van de gemachtigde om voor hem het bedrag van de schadevergoeding in ontvangst te nemen, maar zijn eiser en de gemachtigde op voorhand overeengekomen dat de schadevergoeding volledig toekomt aan de gemachtigde. Indien de schadevergoeding per abuis toch aan eiser zou worden uitbetaald, dient deze dat bedrag dus kennelijk over te maken aan de gemachtigde. Gemachtigde heeft niet weersproken dat hij dit ook heeft erkend tijdens een eerdere zitting voor deze rechtbank waarnaar verweerder heeft verwezen (zie ECLI:NL:RBDHA:2023:11145).
20. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiser persoonlijk kennelijk niet een zodanige spanning en frustratie ervaart dat hij daarvoor gecompenseerd zou moeten worden. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn daarom geen aanleiding tot vergoeding van immateriële schade (ECLI:NL:GHDHA:2023:1451).
21. De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat sprake is van een meer dan een gering belang. Eiser heeft namelijk in het bezwaarschrift, in het beroepschrift en in de pleitnota’s niet inzichtelijk gemaakt wat de cijfermatige gevolgen zijn van zijn betoog. Ook anderszins is niet gebleken van een meer dan gering belang zodat ook daarom geen reden is tot vergoeding van immateriële schade.
22. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.”