Home

Gerechtshof Den Haag, 04-10-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2026, BK-23/00091 tot en met BK-23/00093

Gerechtshof Den Haag, 04-10-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2026, BK-23/00091 tot en met BK-23/00093

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
4 oktober 2023
Datum publicatie
25 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2026
Formele relaties
Zaaknummer
BK-23/00091 tot en met BK-23/00093
Relevante informatie
Art. 5.2 Wet IB 2001, Art. 5.3 Wet IB 2001, Art. 14 EVRM, Art. 1 EP EVRM

Inhoudsindicatie

Aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019. Artikel 8:115 Awb; het Hof wijst het verzoek om terugwijzing naar de Rechtbank af. Artikel 5.3 Wet IB 2001; is de overlijdensschade-uitkering terecht tot de rendementsgrondslag gerekend? Artikel 5.2 Wet IB 2001; vermogensrendementsheffing. Er is sprake van schending van artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM, omdat het forfaitair berekende rendement volgens de Wet rechtsherstel box 3 hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-23/00091 tot en met BK-23/00093

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 december 2022, nummers SGR 20/1251, SGR 20/4100 en SGR 21/4512.

Procesverloop

2017

1.1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.431 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 29.105 (de aanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 689 aan belastingrente in rekening gebracht.

2018

1.1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.069 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.738 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 205 aan belastingrente in rekening gebracht.

2019

1.1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.446 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.570 (de aanslag 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 217 aan belastingrente in rekening gebracht.

Alle jaren

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de voorgaande aanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaar betreft zowel de stelselvraag (of de box 3-heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP)) als de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last.

1.3.

De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gesplitst. Het bezwaar betreffende de stelselvraag is aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de massaalbezwaarprocedure en de daarop volgende collectieve uitspraak op bezwaar. Het individuele bezwaar is verder in behandeling genomen. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de individuele bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27 (het kerstarrest), heeft de staatssecretaris van Financiën met dagtekening 4 februari 2022 een collectieve uitspraak gedaan op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften inzake de box 3-heffing voor de jaren 2017 tot en met 2020 en die bezwaren gegrond verklaard.

1.5.

De Inspecteur heeft bij verminderingsbeschikking van 21 juli 2022 de aanslag 2017 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.431 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.398. Bij verminderingsbeschikking van 8 februari 2023 heeft de Inspecteur de aanslag 2018 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.069 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.022.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft in totaal een griffierecht geheven van € 145. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangemerkt als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2019 (SGR 21/4512) ongegrond;

- verklaart de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2017 (SGR 20/1251) en 2018 (SGR 20/4100) gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018;

- handhaaft de aanslag IB/PVV 2017 zoals nader vastgesteld bij de verminderingsbeschikking van 27 juli 2022 alsmede de daarbij dienovereenkomstig verminderde beschikking belastingrente;

- vermindert de belastingaanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een box 1 inkomen van € 53.069 en een box 3 inkomen van € 14.909 en vermindert de bij deze aanslag berekende belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het voor de gegronde beroepen betaalde griffierecht van € 96 (2 x € 48) aan eiser te vergoeden.”

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 17 januari 2023 (Aanvullingsverzoek art 31 Rv en 32 RV) tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Belanghebbende heeft de volgende nadere stukken ingediend:

Ontvangen door het Hof

Dagtekening

Titel

15 februari 2023

8 februari 2023

Aanvullende stukken:

productie 1: uitspraak Rechtbank

productie 2: akte beroep systeemfout box 3 overlijdensschade

productie 3: brief Rechtbank 27 januari 2023

productie 4: Aanvullingsverzoek (art 31 Rv en 32 RV)

productie 5: Volharding (art 31 Rv en 32 RV)

productie 6: Procedure- en vormfouten rechtbank - Aanvullingsverzoek (art. 31 Rv en art. 32 Rv)

23 februari 2023

23 februari 2023

Toelichting uitspraak Rechtbank

6 maart 2023

3 maart 2023

Akte: Verzet voortgang procedure gerechtshof met:

productie A: ingediende producties van 8 februari 2023

productie B: Bezwaar afhandeling klacht

productie C: Aangetekend Bezwaar afhandeling klacht

productie D: Toelichting uitspraak Rechtbank

6 maart 2023

4 maart 2023

Primair hoger beroepschrift

12 maart 2023

13/14 maart 2023

Aanvullende stukken

20 maart 2023

18 maart 2023

Verzoek terugwijzen Rechtbank met bijlagen

3 april 2023

3 april 2023

Conclusie van Repliek (Verweerschrift)

9 mei 2023

9 mei 2023

Akte urgent herhaald verzoek terugwijzing rechtbank

12 juli 2023

-

Pleitaantekeningen verzoek tot terugwijzen RBDHA met bijlage

13 augustus 2023

12 augustus 2023

Primair hoger beroepschrift met bijlagen

20 augustus 2023

-

Akte: Betrouwbaar- en geloofwaardigheid van de rechtspraak

1.9.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 29 augustus 2023. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1951 en heeft in de onderhavige jaren geen fiscaal partner.

2.2.

De partner van belanghebbende is op [overlijdensdatum] 1998 door een ongeluk overleden. Belanghebbende heeft na een langdurige civiele procedure in 2007 een overlijdensschadevergoeding in de vorm van een eenmalig bedrag ontvangen (de overlijdensschade-uitkering). Het bedrag van de overlijdensschade-uitkering staat deels op een spaarrekening en is deels belegd in aandelen en obligaties.

2.3.

Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning (box 1) en belastbare inkomens uit sparen en beleggen (box 3) van respectievelijk:

2017

2018

2019

loon uit vroegere dienstbetrekking

€ 50.431

€ 53.069

€ 55.467

netto resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen

€ -

€ -

€ 941

bij: inkomsten eigen woning

€ -

€ -

€ 38

box 1

€ 50.431

€ 53.069

€ 56.446

bank- en spaartegoeden

€ 435.151

€ 163.749

€ 62.755

aandelen en obligaties

€ 134.735

€ 147.914

€ 131.444

onroerend goed

€ 187.000

€ 191.000

€ 208.000

totaal bezittingen

€ 756.886

€ 502.663

€ 402.199

af: aftrekbare schulden na drempel

€ 71.000

€ 71.000

€ 70.900

totaal bezittingen

€ 685.886

€ 431.663

€ 331.299

af: heffingvrij vermogen

€ 25.000

€ 30.000

€ 30.360

totale grondslag sparen en beleggen

€ 660.886

€ 401.663

€ 300.939

box 3

€ 29.105

€ 15.738

€ 11.570

2.4.

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren rente- en dividendinkomsten genoten van respectievelijk € 2.855 (2017), € 2.049 (2018) en € 3.338 (2019).

2.5.

De Inspecteur heeft de aanslagen 2017, 2018 en 2019 met de dagtekeningen 22 juni 2019 (2017), 17 oktober 2019 (2018) en 22 januari 2021 (2019) vastgesteld conform de ingediende aangiften. De verschuldigde inkomstenbelasting over de belastbare inkomens uit sparen en beleggen bedraagt: € 8.731 (2017), € 4.721 (2018) en € 3.471 (2019).

2.6.

Naar aanleiding van het kerstarrest heeft de Inspecteur aan belanghebbende verminderingsbeschikkingen voor de jaren 2017 en 2018 opgelegd. De verschuldigde inkomstenbelasting over de belastbare inkomens uit sparen en beleggen bedraagt € 4.619 (2017) en € 4.506 (2018). Voor 2019 is geen verminderingsbeschikking op grond van de Wet rechtsherstel box 3 gegeven.

Hogerberoepsprocedure

2.7.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 17 januari 2023 een “Aanvullingsverzoek (art 31 Rv en 32 RV)” bij de Rechtbank ingediend.

2.7.2.

De Rechtbank heeft het onder 2.7.1 vermelde stuk aangemerkt als hogerberoepschrift en doorgezonden naar het Hof.

2.7.3.

Bij brief van 9 maart 2023 heeft de griffier van het Hof het volgende aan de Rechtbank verzocht:

“(…)

[Belanghebbende] heeft de Rechtbank Den Haag het een en ander gevraagd/verzocht met betrekking tot de uitspraak van de Rechtbank van 22 december 2022, nummers SGR 20/1251, SGR 20/4100 en SGR 21/4512.

De Rechtbank heeft het geschrift van [belanghebbende] van 17 januari 2023, bij de Rechtbank ingekomen op 18 januari 2023, aangemerkt als hogerberoepschrift en doorgezonden aan het Hof. [Belanghebbende] heeft echter nadien telefonisch en in diverse geschriften te kennen gegeven dat hij graag een reactie krijgt van de Rechtbank op zijn vragen/verzoeken.

Ik verzoek u daarom te reageren op de vragen/verzoeken van [belanghebbende].

(…)”

2.7.4.

Bij brief van 14 maart 2023 heeft de Rechtbank als volgt gereageerd:

“(…)

Het gerechtshof Den Haag heeft de rechtbank bij brief van 9 maart 2023 verzocht te reageren op uw brief van 17 januari 2023. Gelet op de reeds doorlopen klachtbehandeling, u bekend onder registratie KL23/33, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

Zoals u bekend is uw klacht met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022 door het gerechtsbestuur ongegrond verklaard.

Voor de goede orde deel ik u mede dat een afschrift van deze brief aan het gerechtshof wordt gestuurd.

(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

De overlijdensschadevergoeding

8. In zijn uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:834) betreffende de aanslag IB/PVV 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag beslist dat de overlijdensschadevergoeding terecht tot het box 3 inkomen is gerekend. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen:

Met betrekking tot de vraag onder 3.1 sub a: vrijstelling in box 3

5.1.

Ingevolge artikel 5.3, tweede lid aanhef, en onderdeel e, van de Wet IB 2001 behoren banktegoeden, aandelen en obligaties tot de bezittingen die tot de grondslag van de vermogensrendementsheffing in box 3 worden gerekend. In de afdelingen 5.2 en 5.3 van de Wet IB 2001 zijn de vrijstellingen voor de vermogensrendementsheffing opgenomen. De wetgever heeft schadevergoedingen niet als bezitting aangemerkt die moet worden vrijgesteld. Evenmin is dat het geval voor zover bank- en spaartegoeden of aandelen en obligaties zijn terug te voeren op ontvangen bedragen aan schadevergoeding. De wetgever heeft verder in de Wet IB 2001 niet voorzien in enige vorm van vrijstelling of tegemoetkoming daarvoor. De overlijdensschade-uitkering is na de uitkering in het vermogen van belanghebbende gevloeid en maakt daarna onderdeel uit van de grondslag van de vermogensrendementsheffing.

5.2.

Het Hof merkt op dat de herkomst van het vermogen in box 3 niet van invloed is op de heffingsgrondslag. Voor de door belanghebbende gestelde uitzondering is geen grond in de tekst van de wet te vinden en evenmin in de bedoeling van de wetgever zoals deze is neergelegd in de parlementaire stukken van de totstandkoming ervan.

5.3.

Ook blijkt niet dat thans de staatssecretaris van Financiën een andere uitleg voorstaat ten aanzien van de hier genoemde bepalingen. Eerder bestaat grond voor het tegenovergestelde: de staatssecretaris heeft bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2019 (in de Brief van 8 november 2018, Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 29, p. 29-30) te kennen gegeven dat de wetgeving op dit punt niet zal worden gewijzigd:

“Uitgangspunt bij box 3 is dat vermogen dat op de peildatum tot het bezit behoort, ongeacht de herkomst daarvan, tot de rendementsgrondslag behoort. Mede met het oog op de eenvoud van het belastingstelsel is ervoor gekozen om hier zo weinig mogelijk uitzonderingen op te maken. Bij de toepassing van de vermogensrendementsheffing gelden momenteel geen uitzonderingen voor bijzonder vermogen van bepaalde slachtoffergroepen. De introductie van een uitzondering zou ten koste gaan van het hiervoor genoemde uitgangspunt en het belastingstelsel en de uitvoering daarvan juist weer verder compliceren. Omdat de fiscale gevolgen van het ontvangen van een letselschadevergoeding door letselschadeverzekeraars moeten worden verdisconteerd in de hoogte van de schadevergoeding, zou het maken van een uitzondering er bovendien toe leiden dat letselschadevergoedingen in de toekomst lager worden vastgesteld, waardoor dit voor de ontvangers van de letselschadevergoeding per saldo geen verschil zou maken. Ten slotte verdragen uitzonderingen voor vrij besteedbaar vermogen zich niet met het draagkrachtbeginsel. Gelet op bovenstaande argumenten is het kabinet niet voornemens letselschadevergoedingen uit te zonderen van de rendementsgrondslag van box 3.”

5.4.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof de vraag onder 3.1 sub a ontkennend. De Inspecteur heeft de overlijdensschade-uitkering terecht tot de heffingsgrondslag van box 3 gerekend.

Met betrekking tot de vraag onder 3.1 sub b: beroep op onbillijkheid van de wet

5.5.

De stelling van belanghebbende dat de regelgeving in hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 onbillijk is omdat overlijdensschade-uitkeringen als de onderhavige niet zijn uitgezonderd van de heffingsgrondslag van box 3, faalt omdat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en het hem ingevolge artikel 11 van de Wet Algemeene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te beoordelen.

Met betrekking tot de vraag onder 3.1 sub c: artikel 1 EP EVRM

5.6.

Belanghebbende stelt dat vermogensrendementsheffing over de overlijdensschade-uitkering een onrechtmatige inbreuk vormt op het ongestoorde genot van eigendom en daardoor in strijd is met artikel 1 EP EVRM. Het kan niet de bedoeling zijn dat nabestaanden met een overlijdensschade-uitkering door de vermogensrendementsheffing moeten interen op die uitkering, aldus belanghebbende.

5.7.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. De wetgever heeft bij de heffing in box 3 tot uitgangspunt genomen dat het vermogen dat op de peildatum tot het bezit behoort - ongeacht de herkomst daarvan - tot de rendementsgrondslag behoort. Met het oog op de eenvoud van het belastingstelsel heeft de wetgever ervoor gekozen hier zo weinig mogelijk uitzonderingen op te maken. Dit geldt ook voor schadevergoedingen als de onderhavige, omdat het vermogen in box 3 vrij besteedbaar is en het in strijd zou zijn met het draagkrachtbeginsel om hierop een uitzondering te maken. Met deze keuze is de wetgever niet getreden buiten de hem onder artikel 1 EP toekomende ruime beoordelingsmarge van hetgeen een redelijke verhouding (“fair balance”) is tussen het algemene belang dat met de belastingheffing wordt gediend en de bescherming van individuele rechten.

Met betrekking tot de vraag onder 3.1 sub d: discriminatie ten opzichte van andere schadevergoedingen

5.8.

Voor de toepassing van de vermogensrendementsheffing in de Wet IB 2001 wordt zoals hiervoor in 5.1 is overwogen voor een schadevergoeding als de onderhavige geen uitzondering gemaakt, evenmin als voor de door belanghebbende genoemde schadevergoedingen ter zake van toegebracht lichamelijk of psychisch letsel. De twee onderscheiden groepen belastingplichtigen worden voor de heffing van inkomstenbelasting derhalve op gelijke wijze behandeld. Hierop stuit de stelling dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel af.

5.9.

Voor zover belanghebbende zich beroept op schending van het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van gevallen waarin voor de toepassing van de AWIR bij het berekenen van het toetsinkomen geen rekening wordt gehouden met het box 3-inkomen, faalt het omdat geen sprake is van rechtens gelijke gevallen nu het in het onderhavige geval gaat om toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001.”

9. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de onderhavige jaren tot een andere conclusie te komen en sluit zich aan bij het door het Hof gegeven oordeel onder de daartoe door het Hof gebezigde gronden. Dit betekent dat, anders dan eiser bepleit, de overlijdensschadevergoeding terecht tot het box 3 inkomen wordt gerekend en dus deel uitmaakt van de heffingsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen. Eiser heeft in beroep zijn standpunt dienaangaande uitvoerig onderbouwd en toegelicht. De rechtbank heeft daarvan kennis genomen maar ziet desondanks geen grond om voor de onderhavige jaren tot een andere, van het Hof afwijkende, conclusie te komen. De rechtbank overweegt hierbij dat het Hof zijn oordeel uitvoerig heeft toegelicht en de rechtbank deze toelichting en het oordeel van het Hof ook juist acht.

In de overwegingen en oordelen van de Hoge Raad in het kerstarrest (zie hierna) ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Anders dan eiser meent, werpt dat arrest naar het oordeel van de rechtbankbank geen ander licht op de onderwerpelijke problematiek en het daarover door het Hof gegeven oordeel. Alle verzoeken van eiser tot herstel of compensatie in verband met de (belastingheffing over de) overlijdensschadevergoeding over deze en/of voorgaande jaren in wat voor vorm dan ook, worden dan ook, wat er van de haalbaarheid daarvan verder ook zij, afgewezen.

10. Verder geldt dat voor zover eiser in voornoemd verband verzoekt om een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), verweerder terecht aanvoert dat dit in deze procedures niet aan de orde kan komen. Nog daargelaten dat de belastingheffing over de overlijdensschadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is (zie hiervóór), is dit een kwestie die aan de civiele rechter voorgelegd dient te worden en waarover de belastingrechter niet kan oordelen.

Toepassing van het kerstarrest

11. De Hoge Raad heeft in het (zogenoemde) kerstarrest[1] geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing zoals deze geldt met ingang van 2017 een relatieve ongelijke behandeling creëert op basis van een omstandigheid die de betrokkenen niet zelf in de hand hebben. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat – ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt – in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor dit stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft voorts aanleiding gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. Deze rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad heeft dat rechtsherstel geboden door te bepalen dat alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.

12. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022[2] dient de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest.

13. De wijze waarop rekening wordt gehouden met het kerstarrest in de vorm van verminderingen van de aanslagen is door de staatssecretaris van Financiën neergelegd in het Besluit rechtsherstel[3].

14. Verweerder heeft met inachtneming van het Besluit rechtsherstel de box 3 inkomens van eiser herberekend op basis van de in het navolgend overzicht opgenomen rendement, waarbij ‘Vermogenscategorie 1’ de Bank- en spaartegoeden behelst, ‘Vermogenscategorie 2’ alle overige bezittingen en ‘Vermogenscategorie 3’ de schulden.

Vermogenscategorie 1 Vermogenscategorie 2 Vermogenscategorie 3

2017 0,25% 5,39% 3,43%

2018 0,12% 5,38% 3,20%

2019 0,08% 5,59% 3,00%

2020 0,04% 5,28% 2,74%

2021 0,01% 5,69% 2,46%

Verweerder heeft de box 3 inkomens aldus berekend op € 15.398 (2017), € 14.909 (2018) en € 15.347 (2019).

15. Verweerder heeft op basis van het besluit rechtsherstel de behaalde rendementen als volgt berekend.

2017 2018 2019

Bank en spaartegoeden € 1.087 (0,25%) € 196 (0,12%) € 50 (0,08%)

Overige bezittingen € 17.341 (5,39%) € 18.428 (5,38%) € 18.974 (5,59%)

Schulden € 2.435- (3,43%) € 2.368- (3,20%) € 2.127- (3,00%)

Saldo € 15.993 € 16.060 € 16.897

16. De vraag ligt voor of aan eiser in afwijking van het Besluit rechtsherstel meer compensatie moet worden geboden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

17. De op rechtsherstel gerichte compensatie dient in beginsel aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. De bewijslast daarvan rust in beginsel op de belastingplichtige.[4] Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat het werkelijk behaalde rendement aanzienlijk minder heeft bedragen dan de door verweerder in aanmerking genomen rendementen.

18. De rechtbank stelt vast dat eiser respectievelijk € 2.855 (2017), € 2.049 (2018) en € 3.338 (2019) aan rente- en dividendinkomsten heeft genoten. In zoverre heeft eiser minder inkomsten genoten dan het door verweerder in aanmerking genomen rendement. Echter, naar het oordeel van de rechtbank kunnen onder werkelijk behaald rendement ook ongerealiseerde waardestijgingen worden begrepen. Uit de aangiften blijkt dat de tweede woning in ieder geval in 2017 en in 2018 in waarde is gestegen. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dat in 2019 niet ook het geval is geweest. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat de aandelen van eiser niet ook in waarde zijn toegenomen. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, en ook niet dat die (ongerealiseerde) waardestijging in de bewuste jaren, al dan niet tezamen met de daadwerkelijk genoten rente- en dividendinkomsten, minder heeft bedragen dan het door verweerder in aanmerking genomen rendement. De rechtbank ziet daarbij in dit geval geen aanleiding om de (ongerealiseerde) waardestijgingen buiten beschouwing te laten. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding eiser meer rechtsherstel te bieden dan reeds is of moet worden verleend via toepassing van het Besluit rechtsherstel.

19. Het vorenstaande betekent dat geen aanleiding bestaat de belastingaanslagen verder te verlagen dan op basis van het Besluit rechtsherstel is berkend [berekend, Hof]. Dit betekent dat het box 3 inkomen over 2017 moet worden gehandhaafd op het bedrag waarop deze bij de verminderingsbeschikking is vastgesteld, dat het box 3 inkomen over 2018 moet worden verminderd naar €15.022 en dat het box 3 inkomen over 2019 moet worden gehandhaafd op het bedrag waarop het bij de primitieve aanslag is vastgesteld. Dit laatste omdat het op basis van het Besluit rechtsherstel berekende box 3 inkomen over 2019 hoger is dan het aanvankelijk voor dat jaar vastgestelde box 3 inkomen. Dit betekent ook dat het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond is.

20. De belastingrente dient te worden verminderd conform de vermindering van de belastingaanslagen. Dat deze nog verder dient te worden verminderd, is gesteld noch gebleken.

21. Voor zover eiser meent dat verweerder bij de aanslagregeling of in de bezwaarfase een van de beginselen van behoorlijkbestuur heeft geschonden, volgt de rechtbank hem daarin niet. Daarvoor vindt de rechtbank in de gedingstukken geen aanknopingspunten.

22. Voor zover eiser in deze procedure bepleit dat over eerdere jaren betaalde box 3 heffing aan hem wordt geretourneerd, gaat de rechtbank daaraan voorbij. In deze procedures gaat het alleen om de jaren 2017, 2018 en 2019. Belastingheffing over andere jaren kan daarbij niet aan de orde komen en daar kan de rechtbank dan ook niet over oordelen.

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond te worden verklaard en dienen de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 gegrond te worden verklaard. Verder dient te worden beslist zoals hieronder weergegeven.

Proceskosten en griffierecht

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

(…)

[1] Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

[2] ECLI:NL:HR:2022:718.

[3] Besluit van 28 juni 2022, Stcrt. 2022, 17063, V-N 2022/34.3.

[4] vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3806.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing