Home

Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:79, BK-23/901

Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:79, BK-23/901

cassatie ingesteld (rolnr HR: 25/00625)

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16 januari 2025
Datum publicatie
17 februari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:79
Zaaknummer
BK-23/901
Relevante informatie
Art. 110 VWEU, Art. 267 VWEU, Art. 6 EVRM

Inhoudsindicatie

Wet bpm. VWEU. Geen schending hoorplicht. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Bevoegdheid tot naheffen. Uitvoering van de auto. Ex-rental. Omvang en aftrekpercentage schade. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Heffingsmodaliteiten niet in strijd met Unierecht. Vergoeding immateriële schade. Hoogte proceskosten. Vergoeding wettelijke rente.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-23/901

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 augustus 2023, nr. SGR 22/7063.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.604 (de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 20 november 2024 (pleitnota 1) en 21 november 2024 (pleitnota 2) nadere stukken ingekomen.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 december 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft een aangifte bpm, gedateerd 30 december 2019, ingediend voor een Mercedes-Benz, C-klasse 220D, Sedan, met een datum eerste toelating 26 december 2018 (de auto). Het uit de aangifte volgende bedrag aan bpm van € 2.052 heeft belanghebbende voldaan.

2.2.

Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van 30 december 2019 van [naam taxateur] (het taxatierapport). In het taxatierapport is opgenomen dat op 19 december 2019 een taxatie is uitgevoerd van de auto. De taxateur heeft de historische nieuwprijs op € 65.747 gesteld. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur aan de hand van de koerslijst XRAY vastgesteld op € 25.151. De taxateur heeft wegens schade een bedrag van € 11.192 (reparatiekosten inclusief btw) vastgesteld en hiervan, na een correctie wegens acceptabele gebruikssporen van € 300, een bedrag van € 10.892 in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 14.300. De historische bruto bpm is in de aangifte berekend op € 9.436. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 117 gr/km.

2.3.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. Belanghebbende heeft de auto op 10 januari 2020 aan DRZ getoond. De bevindingen van DRZ zijn neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 23 januari 2020. Onder “Algemene voertuiggegevens” staat in het rapport onder meer vermeld Mercedes-Benz C-klasse, 220D Premium plus pack. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 62.726, de netto catalogusprijs op € 44.040 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 24.582 (koerslijst XRAY (Marge) Rental). De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 272 (78% van € 350), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 24.310 bedraagt. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 117 gr/km.

2.4.

Met dagtekening 8 juni 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende een zogenoemde “kennisgeving naheffingsaanslag BPM” gezonden en hem daarbij medegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur heeft, op basis van het onder 2.3 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ, de verschuldigde bpm berekend op € 3.656. De Inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen drie weken op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Met dagtekening 2 oktober 2020 heeft de Inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is vastgesteld op € 1.604 (€ 3.656 minus € 2.052 (zie 2.1)).

2.6.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De gemachtigde van belanghebbende is bij brief van 23 februari 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 15 maart 2021. De gemachtigde heeft hier op gereageerd bij e-mailbericht van 25 februari 2021 met de mededeling daar, voor wat betreft onder andere de onderhavige zaak, geen ruimte voor te zien en deze ruimte wel op 12 april 2021 te zien. Bij brief van 2 maart 2021, is de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorgesprek op 12 april 2021. Bij e-mailbericht van 12 maart 2021 heeft de gemachtigde hierop gereageerd met (onder meer) de mededeling dat de datum 12 april 2021 gereserveerd staat voor de Rechtbank Noord-Nederland en dat de gemachtigde de eerste twee weken van mei 2021 met vakantie zal zijn en het kantoor dan gesloten zal zijn. De Inspecteur heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 17 maart 2021 vervolgens uitgenodigd voor een hoorgesprek op 20 april 2021. De gemachtigde heeft hier niet op gereageerd. Bij brief van 25 maart 2021 heeft de Inspecteur gemachtigde (onder meer) bericht dat het hoorgesprek van 20 april 2021 vaststaat. Bij e-mailbericht van 26 maart 2021 heeft de gemachtigde gereageerd op de brief van 25 maart 2021. Het e-mailbericht gaat niet (specifiek) in op (de datum van) het hoorgesprek van 20 april 2021. Bij brief van 30 maart 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende om verduidelijking van de inhoud van zijn e-mailbericht van 26 maart 2021 gevraagd. De gemachtigde heeft niet op deze brief gereageerd. Bij e-mailbericht van 13 april 2021 heeft de gemachtigde, in reactie op een e-mailbericht van de Inspecteur met als onderwerp “hoorgesprek 20 april” het volgende bericht: “u stuurt 1 minuut geleden een bestand voor 20 april 2021. Wij hebben geen hoorgesprek afgesproken.”.

Een hoorgesprek heeft niet plaatsgevonden.

2.7.

Bij de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Naheffen na belastbaar feit

6. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.

Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

7. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Verweerder heeft eiser bij brief van 8 juni 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.

CO2-uitstoot

8. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet langer in geschil is dat zowel in de aangifte als in de naheffingsaanslag is uitgegaan van een bruto Bpm gebaseerd op een CO2-uitstoot van 117 gram/km. Eiser heeft verklaard dat hij zijn beroepsgrond dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een uitstoot van 146 gram/km daarom laat vallen.

9. Eiser stelt verder dat uit onderzoeken door KPMG en TNO (de onderzoeken) volgt dat als gevolg van de overgang per 1 september 2017 van de NEDC-meetmethode naar de WLTP-meetmethode de CO2-uitstoot voor de auto dient te worden verlaagd met 7,3 gram/km. Met de enkele verwijzing naar de algemene conclusies uit de onderzoeken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de aangifte van een te hoge uitstoot is uitgegaan. Ook overigens heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding van een lagere uitstoot uit te gaan dan eiser in de aangifte heeft vermeld. Eiser heeft op zitting verwezen naar de door rechtbank Zeeland-West-Brabant op 13 maart 2023 aan de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen (ECLI:NL:RBZWB:2023:1555). Ten tijde van het doen van deze uitspraak heeft de Hoge Raad nog geen antwoord gepubliceerd. De rechtbank ziet geen aanleiding de zaak aan te houden totdat dit is gebeurd.

Bewijslast en schade

10. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiser (ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318). Het is dus aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies uit het taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. Het taxatierapport bevat verder geen informatie over de reden waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, lid 4, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling), zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 78. Ook overigens heeft eiser daarvoor geen argumenten aangedragen. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende. Eiser is dan ook niet geslaagd in zijn bewijslast.

11. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden (vgl. gerechtshof Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1404, r.o. 5.6.2).

12. Eiser heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden is voor toepassing van extra leeftijdskorting. Hij heeft geen berekeningen overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.

Verschil in heffingsmodaliteiten

13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1277). Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient eiser zich te wenden tot de civiele rechter.

Hoorrecht

14. De gemachtigde van eiser (de gemachtigde) is bij brief van 17 maart 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 20 april 2021. De gemachtigde heeft hierop niet gereageerd. Met dagtekening 25 maart 2021 heeft verweerder aan de gemachtigde een brief verstuurd waarin onder meer is vermeld dat het hoorgesprek van 20 april 2021 vaststaat. De gemachtigde heeft per e-mail op 26 maart 2021 gereageerd op de brief van 25 maart 2021. Deze e-mail bevat in hoofdzaak verwijten aan het adres van verweerder en de rechtspraak en daarin wordt niets gezegd over het hoorgesprek op 20 april 2021. Verweerder heeft in een reactie daarop op 30 maart 2021 aan de gemachtigde gevraagd zijn bericht te verduidelijken en duidelijk de hoorgesprekken te bevestigen of af te zeggen. De gemachtigde heeft dat niet gedaan. Wel heeft hij op 13 april 2021, in reactie op de toezending van stukken voor het hoorgesprek van 20 april 2021, gemeld dat er geen hoorgesprek op 20 april 2021 is afgesproken. Dat strookt echter niet met de daaraan voorafgaande correspondentie. De gemachtigde heeft op 13 april 2021 ook niet gemeld dat hij op 20 april niet beschikbaar was of dat hij verhinderd was. Dat uiteindelijk geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, komt daarom voor rekening en risico van eiser. Verweerder heeft eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat verweerder de gemachtigde al twee keer eerder, namelijk voor 15 maart 2021 en 12 april 2021, heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek en dat de gemachtigde die data heeft afgewezen terwijl de datum van 12 april 2021 is vastgesteld omdat de gemachtigde heeft aangegeven op die datum wel te kunnen. Het hoorrecht is niet geschonden.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

16. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) te stellen.

17. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt (vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579). Eiser heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Ook anderszins is dit niet gebleken.

18. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 16 oktober 2020 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 18 augustus 2023 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en (naar boven afgerond) 11 maanden heeft geduurd. Daarmee is op zichzelf de redelijke termijn overschreden met 11 maanden.

19. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt spanning en frustratie bij eiser verondersteld. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden (Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 en Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461). Anders dan de gemachtigde stelt, staat het Europese recht er niet aan in de weg dat de regeling voor immateriële schadevergoeding nationaal wordt ingevuld (zie onder andere het arrest van 29 maart 2006, inzake Scordino tegen Italië, zaak nr. 36813/97 (gepubliceerd in EHRC 2006/61)).

20. De rechtbank stelt vast dat in de machtiging die bij het beroepschrift is gevoegd over de vergoeding van immateriële schade het volgende is vermeld:

“alle ter zake van deze procedures/gesprekken toegekende bedragen rechtstreeks in ontvangst te nemen zodat deze zonder tussenkomst van [eiser] overgemaakt kunnen worden op rekening van gemachtigde, waaronder mede uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen:

(…)

-immateriële schadevergoeding en/of;

(…)”

[eiser] verklaart tenslotte met gemachtigde afspraken te hebben gemaakt over de vergoeding van de door gemachtigde ten behoeve van [eiser] gemaakte en te maken kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zaken als hierboven weergegeven, welke vergoeding wordt vastgesteld op basis van het no cure no pay beginsel.”

Anders dan in de zaak die voorlag in het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:965) is in casu dus geen sprake van het enkel door eiser aanwijzen van de gemachtigde om voor hem het bedrag van de schadevergoeding in ontvangst te nemen, maar zijn eiser en de gemachtigde op voorhand overeengekomen dat de schadevergoeding volledig toekomt aan de gemachtigde. Indien de schadevergoeding per abuis toch aan eiser zou worden uitbetaald, dient deze dat bedrag dus kennelijk over te maken aan de gemachtigde. Gemachtigde heeft niet weersproken dat hij dit ook heeft erkend tijdens een eerdere zitting voor deze rechtbank waarnaar verweerder heeft verwezen (zie ECLI:NL:RBDHA:2023:11145).

21. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiser persoonlijk kennelijk niet een zodanige spanning en frustratie ervaart dat hij daarvoor gecompenseerd zou moeten worden. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn daarom geen aanleiding tot vergoeding van immateriële schade (ECLI:NL:GHDHA:2023:1451).

22. De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat sprake is van een meer dan een gering belang. Eiser heeft namelijk in het bezwaarschrift, in het beroepschrift en in de pleitnota’s niet inzichtelijk gemaakt wat de cijfermatige gevolgen zijn van zijn betoog. Ook anderszins is niet gebleken van een meer dan gering belang zodat ook daarom geen reden is tot vergoeding van immateriële schade.

23. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing