Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2870, SU 22/2327

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2870, SU 22/2327

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 september 2024
Datum publicatie
21 januari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:2870
Formele relaties
Zaaknummer
SU 22/2327
Relevante informatie
Wet inkomstenbelasting 2001 [Tekst geldig vanaf 15-03-2025 tot 01-01-2026] art. 3.111, Art. 3.111 Wet IB 2001, Art. 5.20 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Wet IB 2001. Geen sprake van ‘woning in aanbouw’ in de zin van art. 3.111, lid 3, Wet IB 2001, omdat geen sprake is van voldoende concrete stappen zijn op grond waarvan naar redelijke verwachting viel aan te nemen dat de bouwkundige werkzaamheden binnen afzienbare tijd zouden beginnen. Standpunt dat geen sprake is van nieuw feit in beroepsfase ingetrokken en ook overigens kan het betoog van belanghebbende niet slagen. De navorderingsaanslagen zijn tot het juiste bedrag opgelegd: (a) voor de waarde van het perceel in box 3 is terecht aansluiting gezocht bij de WOZ-waarde, (b) er is geen sprake van een (voorwaardelijke) schuld in box 3, (c) geen sprake van een individuele en buitensporige last. Geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbendes betoog ten aanzien van de belastingrente wordt verworpen. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 22/2327 en 22/2328

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 oktober 2022, nummers BRE 21/2053 en BRE 21/2054, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2014 en 2015 opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen beide navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Ter verdubbeling van het aantal spoorlijnen in het baanvak [baanvak] en de realisering van een spoortunnel heeft ProRail in 1998 (onder meer) een perceel grond, het perceel [perceel 1] in [plaats] van de moeder van belanghebbende gekocht. In de betreffende koopovereenkomst is een recht van terugkoop opgenomen van dit perceel, aangevuld met een strook van perceel [perceel 2] of een nabijgelegen perceel.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2005 een deel van het perceel [perceel 2] , dat is gelegen aan de [adres] in [plaats] van ProRail gekocht voor € 53.888,75 (hierna: het perceel). Het perceel heeft een grootte van 475 m2. Aan belanghebbende is een vergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel.

2.3.

Belanghebbende heeft tussen 2010 en 2021 (civielrechtelijk) geprocedeerd tegen de gemeente [gemeente] en ProRail. Onderwerp van geschil was onder meer of belanghebbende dan wel zijn moeder recht had op teruglevering van het perceel [perceel 1] , en het handelen jegens hem ten aanzien van het perceel [perceel 2] . Dit heeft geleid tot de volgende uitspraken:

-

vonnis rechtbank Oost-Brabant van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5139;

-

arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:228;

-

arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4217;

-

arrest Hoge Raad van 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1097.

2.4.

De voornoemde procedures hebben ertoe geleid dat belanghebbende in de jaren 2014 en 2015 nog niet met de bouw van de eigen woning op het perceel is gestart. Belanghebbende heeft wel vanaf het moment van verkrijging van het perceel de intentie gehad om op het perceel een eigen woning te bouwen.

2.5.

Tot het dossier behoort een uitdraai uit het Renseignementen Informatie Systeem voor het belastingjaar 2014 waaruit volgt dat belanghebbende in het genoemde jaar eigenaar was van het object [adres] in [gemeente] . Als gebruikscode staat geregistreerd: ‘Woning dienend tot hoofdverblijf’. Deze informatie was volgens de uitdraai raadpleegbaar vanaf 2 februari 2015.

2.6.

De WOZ-waarde van het perceel voor het belastingjaar 2014 (waardepeildatum 1 januari 2013) bedraagt € 165.000. Voor het belastingjaar 2015 (waardepeildatum 1 januari 2014) is geen WOZ-waarde bekend.

2.7.

Belanghebbende beschikt op 1 januari 2014 over bank- en spaarsaldi met een waarde van (in totaal) € 5.305. De ontvangen rente over die bank- en spaarsaldi is in 2014 per saldo € 295. Op 1 januari 2015 beschikt belanghebbende over bank- en spaarsaldi met een waarde van (in totaal) € 7.980. De ontvangen rente over die bank- en spaarsaldi is in 2015 per saldo € 75. Op 1 januari 2016 beschikt belanghebbende over bank- en spaarsaldi met een waarde van (in totaal) € 137.146.

2.8.

Belanghebbende is niet uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV over de jaren 2014 en 2015. Er zijn geen aangiften ingediend en ook geen aanslagen opgelegd.

2.9.

De inspecteur heeft met dagtekening 17 mei 2018 ambtshalve een aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Gelijktijdig met het bezwaar heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend. In die aangifte wordt het perceel als box 3-vermogen aangegeven voor een waarde van € 47.500. De inspecteur heeft op 30 januari 2019 een vragenbrief gestuurd waarin onder meer vragen zijn gesteld over (de waarde van) het in box 3 aangegeven perceel. Belanghebbende heeft hierop nadere stukken gestuurd, die op 21 maart 2019 door de inspecteur zijn ontvangen. Belanghebbende is op 27 juni 2019 door de inspecteur gehoord ten aanzien van dit bezwaar.

2.10.

De inspecteur heeft met dagtekening 20 juli 2019 de volgende navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen):

2014

Wajong-uitkering

€ 14.564

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 14.564

Bezittingen per 1 januari 2014

€ 170.305

Bouwkavel

€ 165.000

Bank- en spaarsaldi

€ 5.305

Schulden per 1 januari 2014

Nihil

Heffingvrij vermogen

€ 21.139 -/-

Rendementsgrondslag

€ 149.166

Voordeel uit sparen en beleggen

€ 5.966

Inkomstenbelasting box 3

€ 1.789

2015

Wajong-uitkering

€ 14.686

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 14.686

Bezittingen per 1 januari 2015

€ 172.980

Bouwkavel

€ 165.000

Bank- en spaarsaldi

€ 7.980

Schulden per 1 januari 2014

nihil

Heffingvrij vermogen

€ 21.330 -/-

Rendementsgrondslag

€ 151.650

Voordeel uit sparen en beleggen

€ 6.066

Inkomstenbelasting box 3

€ 1.819

Daarnaast heeft de inspecteur de volgende beschikkingen belastingrente gegeven (hierna: de rentebeschikkingen).

Jaar

Belastingrente

2014

€ 299

2015

€ 230

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen en vervolgens beroep ingesteld.

2.11.

Tijdens de zitting van de rechtbank op 16 juni 2022 is het onderzoek geschorst teneinde de inspecteur met toepassing van de bestuurlijke lus van artikel 8:51 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid te stellen om belanghebbende alsnog te horen. De inspecteur heeft belanghebbende op 5 juli 2022 gehoord.

2.12.

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd wegens schending van de hoorplicht en bepaald dat de rechtsgevolgen van die uitspraken in stand blijven, bepaald dat de inspecteur het voor het beroep betaalde griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 1.138,50 aan proceskosten voor het beroep aan belanghebbende.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is sprake van een ‘woning in aanbouw’ in de zin van artikel 3.111, lid 3, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

  2. Heeft de inspecteur een nieuw feit dat navordering over 2014 en 2015 rechtvaardigt?

  3. Zijn de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen vastgesteld? Meer specifiek:

  4. Dient het perceel voor een lagere waarde dan de WOZ-waarde in de box 3-heffing te worden betrokken?

  5. Is sprake van een (voorwaardelijke) schuld die in box 3 in aftrek dient te komen?

  6. Is sprake van een individuele en buitensporige last als gevolg van de box 3-heffing?

  7. Is het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 26 november 20141 (hierna: het Besluit) in het geval van belanghebbende strijdig met het evenredigheidsbeginsel?

5) Zijn de rentebeschikkingen terecht gegeven dan wel juist berekend?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair vernietiging en subsidiair vermindering van de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing