Gerechtshof Den Haag, 03-12-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2641, BK-23/1214
Gerechtshof Den Haag, 03-12-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2641, BK-23/1214
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 december 2024
- Datum publicatie
- 17 maart 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:6667, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-23/1214
- Relevante informatie
- Art. 14 EVRM, Art. 1 EP EVRM
Inhoudsindicatie
Aanslag IB/PVV 2018. Box 3. Vermogensrendementsheffing ook onder de Wet rechtsherstel box 3 strijdig met art. 1 EP in combinatie met art. 14 EVRM. Het Hof biedt rechtsherstel in overeenstemming met HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1214
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 22 september 2023, nummer BRE 20/6766.
Procesverloop
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.303 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 71.644 (de aanslag IB/PVV 2018).
Belanghebbende heeft tegen de aanslag IB/PVV 2018 bezwaar gemaakt. Het bezwaar betreft zowel de stelselvraag (of de box 3-heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP)) in combinatie met artikel 14 van het EVRM als de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gesplitst. Het bezwaar betreffende de stelselvraag is aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de massaalbezwaarprocedure en de daaropvolgende collectieve uitspraak op bezwaar. Het individuele bezwaar is verder in behandeling genomen. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het individuele bezwaar ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27; het Kerstarrest), heeft de staatssecretaris van Financiën met dagtekening 4 februari 2022 een collectieve uitspraak gedaan op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften inzake de box 3-heffing voor de jaren 2017 tot en met 2020 en die bezwaren gegrond verklaard.
De Inspecteur heeft bij beschikking van 22 juli 2022 de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.581 (de verminderingsbeschikking).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het individuele bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 48. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
-
vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.303 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.677;
- -
-
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 48 aan belanghebbende moet vergoeden;
- -
-
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 862,68 aan proceskosten aan belanghebbende.”
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep.
Bij verwijzingsbeslissing van 20 december 2023 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaak op basis van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar dit Hof.
Belanghebbende heeft op 8 december 2023 en 13 april 2024 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 30 april 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Het Hof heeft aan het einde van de mondelinge behandeling het onderzoek gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Het Hof heeft nadien besloten het onderzoek te heropenen en dit aan partijen meegedeeld bij brief van 7 juni 2024. Partijen zijn via deze brief in de gelegenheid gesteld om te reageren op de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84, ECLI:NL:HR:2024:705, BNB 2024/85, ECLI:NL:HR:2024:756, BNB 2024/86 en BNB 2024/87, ECLI:NL:HR:2024:771 en ECLI:NL:HR:2024:813). Belanghebbende heeft bij brief van 12 juni 2024 haar reactie ingediend. De Inspecteur is bij bericht van 13 juni 2024 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de reactie van belanghebbende. Het Hof heeft binnen de daarvoor gestelde termijn geen reactie van de Inspecteur ontvangen op de brief van 7 juni 2024, noch op het bericht van 13 juni 2024.
Bij bericht van 3 juli 2024 aan partijen heeft het Hof aangekondigd de zaak af te willen doen zonder nadere mondelinge behandeling. Als partijen toch gebruik willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord, dienen zij binnen twee weken na dagtekening van voormeld bericht het Hof daarvan in kennis te stellen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn niet aangegeven van dat recht gebruik te willen maken, waarna het Hof het onderzoek opnieuw heeft gesloten.
Feiten
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1947. Gedurende het gehele jaar 2018 was de heer [A] haar fiscaal partner.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.303 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (het box 3 inkomen) van € 71.644. De Inspecteur heeft een aanslag IB/PVV 2018 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.
Uit de ingediende aangifte volgt dat belanghebbende beschikt over de volgende vermogensbestanddelen in box 3: bank- en spaartegoeden in Nederland ten bedrage van
€ 947.268, aandelen, obligaties e.d. met een waarde van € 486.508 en rechten op onroerende zaken (in Nederland) met een waarde van € 180.000. De rendementsgrondslag is daarmee
€ 1.613.776 en de grondslag voor de berekening van het box 3 inkomen bedraagt, gelet op het heffingvrije vermogen, € 1.553.776.
Naar aanleiding van het Kerstarrest heeft de Inspecteur met in achtneming van het Besluit rechtsherstel box 3 (Stcrt. 2022, 17063) aan belanghebbende de verminderingsbeschikking gegeven. Hierbij is uitgegaan van een grondslag sparen en beleggen van € 1.553.776 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.581. De verschuldigde inkomstenbelasting over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 10.649.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“Is de Wet rechtsherstel box 3 in strijd met artikel 1 EP bij het EVRM?
6. De rechtbank overweegt als volgt. In het Kerstarrest is onder meer overwogen dat door de verandering van het forfaitaire stelsel met ingang van 1 januari 2017, het stelsel verder is af komen te staan van een heffing over inkomen waarvan kan worden aangenomen dat een individueel belastingplichtige daadwerkelijk heeft genoten. De Hoge Raad overweegt dat verhoudingsgewijs een zware last werd verbonden aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen. Er was onvoldoende rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen degenen die de vruchten plukken van hun risicovolle beleggingen en degenen aan wie dat fortuin is voorbij gegaan maar wel door het stelsel een relatief zware belastingschuld wordt toebedeeld.
Vervolgens heeft de wetgever de wet aangepast in die zin dat voor de grondslag sparen en beleggen wordt aangesloten bij de werkelijke verdeling van het vermogen van een belastingplichtige in drie vermogenscategorieën: banktegoeden (categorie I), overige bezittingen (categorie II) en schulden (categorie III). Ten aanzien van vermogenscategorie I, zijnde banktegoeden, is het forfaitair rendement naar beneden bijgesteld. Daardoor doen de door de Hoge Raad geschetste pijnpunten zich voor banktegoeden niet meer (in die mate) voor. Belanghebbende heeft ook aangegeven dat haar beroep daar niet meer tegen gericht is.
De rechtbank stelt vast dat ter zake van de overige bezittingen (categorie II) in de Wet rechtsherstel box 3 niets is veranderd ten opzichte van het forfaitaire stelsel dat met ingang van 1 januari 2017 is ingevoerd. De wetgever heeft immers ervoor gekozen om voor de categorie overige bezittingen dezelfde meerjarige formule, zoals die gold voor het forfaitaire stelsel met ingang van 1 januari 2017, van toepassing te laten blijven. Bij de bepaling van het forfaitaire rendement is de wetgever net als bij de invoering van het box 3-stelsel met ingang van 1 januari 2017, uitgegaan van een gemiddelde vermogensmix van aandelen (28%), onroerende zaken (45%), obligaties (12%) en andere vermogenstitels (15%) en de gemiddelde rendementen daarop.[7] De door de Hoge Raad benoemde pijnpunten bestaan binnen deze categorie nog steeds.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de overwegingen uit het Kerstarrest onverkort kunnen worden toegepast op het stelsel zoals dat met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2017 is ingevoerd. Het nieuwe stelsel is weliswaar op één onderdeel (banktegoeden) aangepast, maar voor de categorie overige bezittingen is niets veranderd: verhoudingsgewijs wordt er nog steeds een zware last verbonden aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen, ten opzichte van het risicomijdend beleggen van vermogen hetgeen belanghebbende heeft gedaan. Ook bij het binnen de Wet rechtsherstel box 3 geldende forfaitaire stelsel heeft de wetgever belangen willen dienen die liggen op het terrein van uitvoerbaarheid. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank ook na invoering van deze nieuwe wet nog steeds geen redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met het stelsel en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving die de wetgever heeft gekozen voor de verwezenlijking van dat doel. De rechtbank acht dat stelsel daarom in strijd met artikel 1 EP bij het EVRM.
Gelet op het Kerstarrest en dat wat hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank voor het forfaitaire stelsel zoals dat uit de Wet rechtsherstel box 3 volgt, geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP EVRM, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. In het Kerstarrest heeft de Hoge Raad aanleiding gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de constateerde schending van hun fundamentele rechten. Deze rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag welk rechtsherstel belanghebbende moet worden geboden.
Rechtsherstel
De Hoge Raad heeft het rechtsherstel in het Kerstarrest geboden door te bepalen dat alleen het werkelijk rendement in de heffing wordt betrokken. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 22 maart 2023[8] nader uiteengezet wat onder werkelijk rendement moet worden begrepen en heeft onder meer overwogen dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk rendement en dat niet meer kan worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van directe, gerealiseerde vermogensopbrengst. Daarnaast heeft het gerechtshof overwogen dat bij de bepaling van de op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid kan worden vastgesteld, geen rekening dient te worden gehouden met ongerealiseerde vermogenswinsten omdat ongerealiseerde vermogenswinsten niet passen binnen de term “werkelijk behaald rendement” die de Hoge Raad in het Kerstarrest en zijn arrest van 20 mei 2022[9] heeft gebruikt. De rechtbank volgt deze benadering. Het standpunt van de inspecteur dat ook ongerealiseerde vermogenswinsten tot het werkelijke rendement dienen te worden gerekend, wordt daarom door de rechtbank verworpen.
(…)
Belanghebbende stelt dat zij in 2018 totaal € 1.143,11 rente over haar bank- en spaartegoeden heeft ontvangen. Op haar beleggingen heeft zij in 2018 dividenden en couponrentes ontvangen van in totaal € 4.464,22. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende financiële jaaroverzichten voor het jaar 2018 overgelegd. In totaal berekent belanghebbende haar werkelijk rendement op € 5.607,33.
De rechtbank overweegt als volgt. Het door belanghebbende gestelde werkelijk rendement komt overeen met de renseignementen die de inspecteur heeft ontvangen over het jaar 2018 (bijlage 15 bij het verweerschrift), met die aanpassing dat belanghebbende in haar opstelling van dividendontvangsten is uitgegaan van dividenden ná inhouding van bronbelasting. De rechtbank is van oordeel dat dat laatste onjuist is aangezien bij het vaststellen van de aanslag wel bronbelasting is verrekend dan wel aftrek van buitenlandse bronheffing is verleend. De rechtbank volgt daarom het overzicht van de inspecteur waarin is opgenomen dat in 2018 in totaal € 5.677 is ontvangen aan rente op bank- en spaartegoeden, dividenden en couponrente. De rechtbank ziet in de nader ingenomen stellingen van de inspecteur geen aanleiding om ervan uit te gaan dat een hoger bedrag aan rendement is genoten in 2018.
De rechtbank bepaalt, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, de omvang van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 5.677.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Met dat wat de rechtbank heeft geoordeeld, moet de aanslag verder worden verminderd dan de inspecteur heeft gedaan, omdat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen moet worden verlaagd tot € 5.677.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 837, voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zitting. Daarnaast krijgt belanghebbende een vergoeding van haar reiskosten van € 25,68. De reiskosten van haar adviseur zijn in de (forfaitaire) vergoeding van € 837 begrepen. De totale toegekende proceskostenvergoeding komt daarmee op € 862,68.
(…)
[7] Zie bijlage A bij Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 3.
[8] ECLI:NL:GHSHE:2023:945, r.o. 4.7.
[9] Zie voetnoot 4.”