Aflevering 14

Gepubliceerd op 1 april 2025

NTFR 2025/557 - Over waarderingsmismatches en causaliteit

Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 geschreven door A.W. Ravelli LLM
Sinds 1 januari 2022 kent de Wet Vpb 1969 met art. 8bb t/m art. 8bd bepalingen die internationale verrekenprijs- en waarderingsmismatches beogen tegen te gaan. In de praktijk merk ik dat met name de laatste relatief vaak vragen oproepen in gevallen waarin aan een waarderingsmismatch helemaal geen misbruikmotief ten grondslag ligt.

NTFR 2025/559 - Uitgangspunten inspecteur voor gebruikelijk loon dga zijn juist (art. 81.1 Wet RO)

ECLI:NL:HR:2025:459, datum uitspraak 28-03-2025, publicatiedatum 28-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025
Belanghebbende is dga van X bv en tevens bestuurder van diverse vennootschappen. Bovendien is hij businessdirecteur en businessunitdirecteur van enkele ondernemingen binnen het Y-concern. Het Y-concern bestaat uit diverse ondernemingen (Y-1 bv, Y-2 bv, Y-16 bv). In 2018 waren bij het Y-concern 158 werknemers in dienst, was het balanstotaal circa € 22 miljoen en werd een omzet behaald van ongeveer € 16 miljoen. Volgens een managementovereenkomst voert X bv mede de directie van Y. Voor de feitelijke uitvoering hiervan zal X bv belanghebbende ter beschikking stellen. Volgens de overeenkomst ontvangt X bv hiervoor een vergoeding van € 236.000. X bv heeft in 2018 een bedrag ontvangen van € 260.520. Belanghebbende heeft in 2013-2018 jaarlijks een loon genoten van € 122.486. De heer Z is directeur van Y-1 bv. In 2018 heeft hij een loon genoten van € 215.239 en is hij daarmee de meestverdienende werknemer van het Y-concern. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur (navorderings)aanslagen opgelegd. In dat kader is het loon gecorrigeerd naar het loon van de meestverdienende werknemer. Volgens de inspecteur stond het gehanteerde loon niet in verhouding tot de managementfee die door X bv in rekening is gebracht. In hoger beroep spitste het geschil zich toe op de hoogte van het loon van belanghebbende. Belanghebbende heeft betoogd dat het in aanmerking genomen loon naar beneden moet worden bijgesteld. Ter onderbouwing valt uit de door belanghebbende verstrekte informatie op te maken dat de dienstbetrekkingen van de daarin genoemde vestigingsdirecteuren kwalificeren als de meest vergelijkbare dienstbetrekking en dient het loon op een lager bedrag dan dat van de heer Z te worden gesteld. In reactie is op verzoek van de inspecteur door een derde (B nv) een overzicht gegeven van de beloning van het directieteam. Volgens hof Amsterdam 16 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1250, NTFR 2023/1366, bestaan er wezenlijke verschillen tussen de dienstbetrekking van belanghebbende en de bedoelde vestigingsdirecteuren. Naar het oordeel van het hof brengt dit met zich dat er geen sprake is van soortgelijke dienstbetrekkingen als die van belanghebbende dan wel dienstbetrekkingen die het meest vergelijkbaar zijn met de dienstbetrekking van belanghebbende. De omstandigheid dat het blijkens de verstrekte informatie gaat om vestigingsdirecteuren met/van een vergelijkbaar aantal werknemers (150) is onvoldoende om anders te oordelen. Al met al achtte het hof dan ook niet aannemelijk geworden dat de door belanghebbende naar voren gebrachte dienstbetrekkingen van de vestigingsdirecteuren het meest vergelijkbaar zijn, en belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het loon van Z hoger is dan 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Overigens vond het hof de dienstbetrekking van de CEO van B nv beter vergelijkbaar met die van belanghebbende dan de dienstbetrekking van de door belanghebbende naar voren gebrachte vestigingsdirecteuren. De aard en de verantwoordelijkheden van de functie achtte het hof voor de vergelijking namelijk relevanter dan enkel de omvang van het bedrijf(sonderdeel).

NTFR 2025/560 - Belastingdienst weegt alle gezichtspunten bij beoordeling arbeidsrelatie mee

Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 geschreven door mr. A.L. Mertens
De Belastingdienst weegt alle gezichtspunten inclusief het extern ondernemerschap mee. Dit schrijft minister Van Hijum in een reactie op schriftelijke vragen over het bericht ‘Hoge Raad: bij beoordeling of sprake is van arbeidsovereenkomst geldt geen rangorde tussen de mee te wegen omstandigheden, waaronder eventueel “ondernemerschap” van de werkende’.

NTFR 2025/563 - Documenten openbaar over handhaving Wet DBA

Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025
De staatssecretaris van Financiën heeft documenten openbaar gemaakt over de handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) waaronder de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de Belastingdienst en informatie over alle handhavingsinstrumenten.

NTFR 2025/570 - Saldo PGB-rekening terecht tot de rendementsgrondslag gerekend (art. 81.1 Wet RO)

ECLI:NL:HR:2025:471, datum uitspraak 28-03-2025, publicatiedatum 28-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025
Belanghebbende heeft drie bankrekeningen, waaronder een PGB-rekening en een bonusrenterekening. De inspecteur heeft deze rekeningen tot het box 3-vermogen gerekend. In geschil is of dit terecht is. Hof Den Haag 26 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1926, NTFR 2023/1998, heeft geoordeeld dat de PGB-rekening een bezitting is en terecht tot het box 3-vermogen is gerekend. Belanghebbende heeft niet met feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de PGB-rekening vergelijkbaar is met een notariële derdenrekening en dat voor de PGB-rekening dezelfde beperkingen gelden als die de Wet op het notarisambt stelt aan de notariële derdenrekening. Het hof heeft verder geoordeeld dat de bonusrenterekening ook terecht tot het box 3-vermogen is gerekend. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de bonusrenterekening ziet op een schuld aan zijn vader. Hij heeft geen schriftelijke stukken overgelegd ter onderbouwing van het bestaan van een schuld aan zijn vader.

NTFR 2025/572 - Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 naar Tweede Kamer

Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025
Het kabinet heeft het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 ingediend bij de Tweede Kamer. Met de tegenbewijsregeling biedt het kabinet aanvullend rechtsherstel in box 3, zoals volgt uit de box 3-arresten van de Hoge Raad van juni 2024. Met dit wetsvoorstel wordt de heffing in box 3 in overeenstemming gebracht met deze arresten.

NTFR 2025/574 - Geen aftrek specifieke zorgkosten omdat vereiste bewijs ontbreekt (art. 81.1 Wet RO)

ECLI:NL:HR:2025:470, datum uitspraak 28-03-2025, publicatiedatum 28-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025
De aangifte IB/PVV van belanghebbende bevat een aftrek specifieke zorgkosten. De inspecteur heeft vragen gesteld over de post genees- en heelkundige hulp. In reactie daarop zijn meerdere bescheiden overgelegd ter onderbouwing van de aftrek. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur geen aftrek specifieke zorgkosten in aanmerking genomen, hetgeen onderwerp van geschil is. De rechtbank is volgens hof Amsterdam 4 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1696, NTFR 2023/1378, op goede gronden tot een juist oordeel gekomen. De door belanghebbende opgevoerde uitgaven voldoen niet aan de eisen die de wet stelt voor de aftrek daarvan. Zo ontbreekt het ook in hoger beroep aan de vereiste facturen (uitgaven voor extra gezinshulp), aan voldoende bewijsmateriaal ter ondersteuning van de aftrek van uitgaven gedaan voor extra kleding en beddengoed en aan bewijs van behandeling door een arts of een voorschrift van een arts. Bovendien is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het hof heeft verder in aanvulling op de rechtbank hierover overwogen dat de situatie van belanghebbende niet gelijk is aan gevallen waarin de wet wel aftrek toestaat. Dat betreft immers gevallen waarbij aannemelijk is dat uitgaven zijn gedaan wegens ziekte of invaliditeit voor op voorschrift van een arts verstrekte farmaceutische producten, hetgeen voor de situatie van belanghebbende niet geldt. De stelling van belanghebbende dat bij de huidige stand van de medische wetenschap voor haar aandoening geen therapie bestaat op basis van farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts maakt dat niet anders. Het verzoek van belanghebbende om haar een vergoeding van € 550.000 toe te kennen heeft het hof eveneens afgewezen. De bestuursrechter is slechts bevoegd een schadevergoeding toe te kennen indien sprake is van een gegrond (hoger) beroep. Aangezien het (hoger) beroep inzake de aanslag niet leidt tot de gegrondverklaring van het (hoger) beroep, is het hof onbevoegd een schadevergoeding toe te kennen.

NTFR 2025/582 - Hoge Raad vraagt aan HvJ of voorwaarden voor vrijstelling gelden op niveau van fiscale eenheid of per lid daarvan

ECLI:NL:HR:2025:472, datum uitspraak 28-03-2025, publicatiedatum 28-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 met annotatie van mr. A.J. Blank
Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Zij bestaat uit vijf rechtspersonen, waaronder een stichting die is erkend als intramurale zorgverlener, en een vennootschap die 24-uursdiensten (persoonsalarmering, dwaaldetectie en cameratoezicht) tegen vergoeding verricht aan gelieerde instellingen en andere zorginstellingen. De inspecteur heeft geoordeeld dat de 24-uursdiensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting, omdat de vennootschap niet een erkende instelling is in de zin van art. 11 lid 1 onderdeel c of f Wet OB 1968. Hof Den Bosch (NTFR 2022/553) heeft daarentegen geoordeeld dat belanghebbende ‘op het niveau van de fiscale eenheid’ kan worden aangemerkt als een erkende instelling, dat de 24-uursdiensten jegens derden nauw samenhangen met het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen, dat niet in concurrentie wordt getreden en dat daarom voldaan is aan de voorwaarden voor vrijstelling van omzetbelasting. De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad vraagt zich af hoe de subjectgebonden voorwaarden die worden gesteld aan een vrijstelling moeten worden toegepast bij een fiscale eenheid. De draagwijdte van de vrijstelling zou worden verruimd als prestaties jegens derden die worden verricht door een lid van de btw-groep, die zelf niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, toch onder de vrijstelling vallen, enkel vanwege de tussen de leden van de fiscale eenheid bestaande nauwe banden. Anderzijds brengt de gelijkstelling van een btw-groep met één belastingplichtige met zich mee dat een dienstverrichter die deel uitmaakt van een btw-groep niet als een individuele belastingplichtige wordt beschouwd. Nu het antwoord op de vraag niet buiten redelijke twijfel is, legt de Hoge Raad deze voor aan het HvJ. Daaraan is nog een tweede vraag toegevoegd. Stel dat uit de beantwoording van de eerste vraag volgt dat de toepassing van de vrijstelling niet op individueel niveau wordt bezien, dan rijst nog de vraag of dit ook geldt voor de voorwaarde van het ontbreken van een winstoogmerk. Moet deze eis niet in elk geval ook gelden voor dat lid van de btw-groep, in dit geval de vennootschap, die een belastbare prestatie verricht?

NTFR 2025/589 - A-G Wattel: Verhuurderheffing is niet onrechtmatig

ECLI:NL:PHR:2025:264, datum uitspraak 28-02-2025, publicatiedatum 14-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 met annotatie van drs. R. van Haperen
Dit is één van 56 samenhangende zaken over de verhuurderheffing 2019, 2020 en 2021. Alleen deze zaak is geselecteerd omdat hij alle drie de jaren en alle – veelal identieke – cassatiemiddelen omvat. Over de individuele feitelijke omstandigheden van de 56 heffingsplichtigen is weinig tot niets vastgesteld, omdat het doel is om de gehele verhuurderheffing op juridische gronden van tafel te krijgen.

NTFR 2025/591 - Beperking pkv in WOZ-zaak, omdat belanghebbende geen bewijs aan Hoge Raad levert dat zijn gemachtigde geen ‘no-cure-no-paybureau’ is

ECLI:NL:HR:2025:463, datum uitspraak 28-03-2025, publicatiedatum 28-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 met annotatie van mr. E.D. Postema
In onderhavige WOZ-procedure heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 31 januari 2025, NTFR 2025/248, de hofuitspraak vernietigd. Voor de vergoeding van proceskosten voor de cassatieprocedure is in art. 30a Wet WOZ bepaald dat een vermenigvuldigingsfactor van 0,10 moet worden toegepast. In zijn arrest HR 17 januari 2025, NTFR 2025/177, heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat deze beperking van de proceskostenvergoeding alleen geldt voor, kort gezegd, de zogenoemde no-cure-no-paybureaus’. Om die reden heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 31 januari 2025 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zijn gemachtigde Bakker niet als een dergelijk bureau kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt, zodat in dit aanvullende arrest de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure is vastgesteld op 0,10 x € 907 x 2 punten (cassatieberoepschrift) gedeeld door twee (vanwege samenhang), oftewel € 91.

NTFR 2025/593 - Hof hoeft niet ambtshalve hoge puntwaarde voor kosten bezwaar toe te kennen

ECLI:NL:HR:2025:419, datum uitspraak 21-03-2025, publicatiedatum 21-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 met annotatie van mr. R.J. de Jong
Bij uitspraak op bezwaar zijn de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag BPM en beschikking belastingrente verminderd. Daarbij heeft de inspecteur belanghebbende een kostenvergoeding toegekend voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, berekend naar de lage puntwaarde. In beroep en hoger beroep heeft belanghebbende alleen de naheffingsaanslag BPM en beschikking belastingrente bestreden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024:1661) heeft het hoger beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verder verminderd. Het hof heeft belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. De reeds toegekende kostenvergoeding in bezwaar heeft het hof in stand gelaten.

NTFR 2025/595 - A-G Koopman belicht problematiek inzake geweigerde en buiten beschouwing gelaten gedingstukken

ECLI:NL:PHR:2025:265, datum uitspraak 28-02-2025, publicatiedatum 14-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 met annotatie van mr. N. van den Hoek
Deze zaak gaat over een schipper van een viskotter die onveraccijnsde sigaretten als proviand aan boord heeft genomen. Volgens de inspecteur zijn die sigaretten weer aan land gebracht en doorverkocht. Daarom is van deze schipper (de belanghebbende) tabaksaccijns nageheven.