NTFR 2025/582 - Hoge Raad vraagt aan HvJ of voorwaarden voor vrijstelling gelden op niveau van fiscale eenheid of per lid daarvan
ECLI:NL:HR:2025:472, datum uitspraak 28-03-2025, publicatiedatum 28-03-2025
Aflevering 14, gepubliceerd op 01-04-2025 met annotatie van mr. A.J. BlankBelanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Zij bestaat uit vijf rechtspersonen, waaronder een stichting die is erkend als intramurale zorgverlener, en een vennootschap die 24-uursdiensten (persoonsalarmering, dwaaldetectie en cameratoezicht) tegen vergoeding verricht aan gelieerde instellingen en andere zorginstellingen. De inspecteur heeft geoordeeld dat de 24-uursdiensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting, omdat de vennootschap niet een erkende instelling is in de zin van art. 11 lid 1 onderdeel c of f Wet OB 1968. Hof Den Bosch (NTFR 2022/553) heeft daarentegen geoordeeld dat belanghebbende ‘op het niveau van de fiscale eenheid’ kan worden aangemerkt als een erkende instelling, dat de 24-uursdiensten jegens derden nauw samenhangen met het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen, dat niet in concurrentie wordt getreden en dat daarom voldaan is aan de voorwaarden voor vrijstelling van omzetbelasting. De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad vraagt zich af hoe de subjectgebonden voorwaarden die worden gesteld aan een vrijstelling moeten worden toegepast bij een fiscale eenheid. De draagwijdte van de vrijstelling zou worden verruimd als prestaties jegens derden die worden verricht door een lid van de btw-groep, die zelf niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, toch onder de vrijstelling vallen, enkel vanwege de tussen de leden van de fiscale eenheid bestaande nauwe banden. Anderzijds brengt de gelijkstelling van een btw-groep met één belastingplichtige met zich mee dat een dienstverrichter die deel uitmaakt van een btw-groep niet als een individuele belastingplichtige wordt beschouwd. Nu het antwoord op de vraag niet buiten redelijke twijfel is, legt de Hoge Raad deze voor aan het HvJ. Daaraan is nog een tweede vraag toegevoegd. Stel dat uit de beantwoording van de eerste vraag volgt dat de toepassing van de vrijstelling niet op individueel niveau wordt bezien, dan rijst nog de vraag of dit ook geldt voor de voorwaarde van het ontbreken van een winstoogmerk. Moet deze eis niet in elk geval ook gelden voor dat lid van de btw-groep, in dit geval de vennootschap, die een belastbare prestatie verricht?